B. van Wijk stelt bundel samen met Brabantse piëtistische gedichten

B. van Wijk. beeld RD
4

Noord-Brabant heeft het imago van een donkere provincie als het over geestelijke zaken gaat. Toch hebben gereformeerde piëtisten uit Brabant een rijke oogst van lezenswaardige geschriften nagelaten, zegt B. van Wijk uit Nederhemert.

Van Wijk is een liefhebber van oude, religieuze poëzie. Hij stelde een bloemlezing samen met piëtistische gedichten uit de zeventiende en achttiende eeuw. Deze zijn in de meeste gevallen geschreven door predikanten die in Brabant werkzaam zijn geweest, maar ook door ‘gewone’ Brabantse gemeenteleden, inclusief vrouwen. „Ik vond het mooi om elf lichten naar voren te halen”, zegt Van Wijk. „Met deze uitgave wil ik de heldere boodschap die al eeuwen geleden in Brabant werd gepreekt en beluisterd, geschreven én gezongen onder het stof vandaan halen.”

In de bundel ”Op deze woeste kusten” staan bekende auteurs –Petrus Immens, Johannes Groenewegen– naast minder bekende, zoals Aemilius van Cuilemborgh en Daniël van Wyngaarden. Wat hen bindt is niet zozeer de literaire kwaliteit alswel de bevindelijke, innerlijke vroomheid die ze met hun stichtelijke gezangen en gedichten tot uitdrukking brachten. „Dat is de rode draad. Uit veel gedichten spreekt een geestelijke beleving waarop we in onze tijd jaloers kunnen zijn”, zegt Van Wijk.

Franse mode

De diversiteit aan gedichten is groot. De bundel bevat bruiloftsliederen, nieuwjaarszangen, gebeden, klaagliederen, troostliederen, Schriftberijmingen en zelfs een spotlied op de Franse mode. Lange gedichten worden afgewisseld met kortere. Van elke auteur is een korte biografische schets opgenomen en de bundel is verlucht met historische afbeeldingen.

Van Wijk is in het dagelijks leven meubelmaker. In zijn vrije tijd verdiept hij zich graag in de regionale kerkgeschiedenis. In Historische Reeks Land van Heusden en Altena publiceerde hij daarover een aantal artikelen. Voor de Encyclopedie Nadere Reformatie leverde hij onder meer bijdragen over een aantal Brabantse predikanten.

Hoe kwam u op het idee om een bloemlezing van piëtistische gedichten uit te geven?

„Prof. dr. W. J. op ’t Hof zette mij een jaar of zeven geleden op het spoor van Franciscus de Wael (1594-1670), een geestverwant van Voetius en Udemans die gedurende vijftig jaar als predikant in Brabant heeft gewoond en gewerkt. Van de zeven werken die van De Wael zijn overgeleverd zijn er vijf geheel of gedeeltelijk in dichtvorm. Ik heb me daar echt aan kunnen laven. ”Gods Vaderlicke ingewanden” schreef hij bijvoorbeeld naar aanleiding van Psalm 103:13. Eigenlijk is het een uitgewerkte preek, waarin hij verscheidene aspecten van de liefde en zorg die ouders voor hun kinderen hebben aanwijst als voorbeeld van Gods ontferming over Zijn kinderen. In het laatste gedeelte, dat in deze bundel is opgenomen, separeert hij ernstig en waarschuwt aan de hand van de Tien Geboden tegen de zonde. Ik speelde met het idee om anderen hierin te laten delen en begon gedichten te verzamelen die mij aanspraken. Op zaterdagavonden heb ik die in de computer ingevoerd.”

De titel van uw bundel komt uit een gedicht van Johannes Feylingius (plm. 1629-1696). Wat zegt dit over het Brabant van die tijd?

„Na de Vrede van Münster in 1648 werd op last van de overheid in de Brabantse steden en dorpen de gereformeerde leer vanaf de kansels verkondigd. Het overgrote deel van de bevolking stond echter vijandig tegenover de prediking en was gevangen in on- en bijgeloof. Het landschap was woest, het volksleven ruw. Feylingius was predikant in Budel, Deurne, Maarheeze en Soerendonk. Hij zocht, naast prediking en huisbezoek, naar andere mogelijkheden om gemeenteleden te bereiken met de boodschap van zonde en genade. Bij zijn lijkpreken kwamen soms enkele honderden dorpsgenoten luisteren. Daarnaast schreef hij gedichten om de vaak eenvoudige mensen te stichten en te onderwijzen. Ook andere predikanten deden dat. Vaak zijn de gedichten te zingen op de melodie van een psalm of een gezang. Tegelijk ziet de uitdrukking ”Op deze woeste kusten” in overdrachtelijke zin op het eertijds dat elk kind van God kent en waarmee hij blijft kampen. Juist een christen leert ook de woestijn van zijn eigen hart en leven kennen.”

De bundel is chronologisch samengesteld. Ziet u een ontwikkeling in de gedichten?

„In de zeventiende eeuw heeft het gereformeerde vuur echt gebrand. Je ziet bijvoorbeeld dat predikanten ook de overheid oproepen om Gods geboden in acht te nemen. Heel de samenleving diende onder het beslag van Gods Woord te komen. In de achttiende eeuw is er sprake van verinnerlijking, richten de bevindelijke predikanten zich meer op de eigen kring. Van die beweging is wel iets terug te vinden in deze bundel, al ligt dat allemaal niet zo zwart-wit. De gedichten van bijvoorbeeld N. A. van der Deliën (1600-1630) gaan bijna uitsluitend over het persoonlijk-geestelijke. Van Anthonie van Hardeveldt (1695-1777) is daarentegen bekend dat hij bij de overheid aandrong op handhaving van de zondagsheiliging. In 1741 publiceerde hij nog een reformatieprogramma. Persoonlijk spreken mij de zeventiende-eeuwse gedichten het meest aan, kwalitatief zijn ze vaak ook wat beter.”

Zijn het literaire hoogstandjes?

„De schrijvers hadden niet de bedoeling om met hun gedichten te schitteren op het podium van bewierookte poëten. Ze wilden er eenvoudige mensen mee bereiken en dichterlijk stelde het niet altijd even veel voor. Toch zijn de gedichten over het algemeen van bovengemiddeld niveau. De destijds beroemde dichters Simon Simonides en Arnold Moonen schreven lofdichten in bundels van Feylingius en De Wael. Dat zegt toch wel iets.”

De bundel heeft de uitstraling van een oud werk, zowel qua lettertype als qua vormgeving. Waarom koos u daarvoor?

„Het is een knipoog naar een oud gezangboek. Ik wil de lezer graag de sensatie geven die ikzelf onderga als ik een oude dichtbundel ter hand neem. Het lettertype is overigens goed te lezen. De tekst zelf heb ik niet aangepast, omdat rijm en ritme dan algauw niet meer kloppen. Een enkele keer zal de lezer op een onbekend woord stuiten, maar uit de context is de strekking dan wel duidelijk. Een aardigheidje is het drukkersvignet op de titelpagina. Dat is afkomstig van de Gorinchemse drukker Jacob van Wijk, uit 1738. Als motto heeft het een woordspeling op zijn naam: ”Wijk in de nood”, met eronder de afbeelding van een ommuurde, veilige stad. De geestelijke strekking is natuurlijk dat alleen bij God beschutting is te vinden. Daar gaat het in de gedichten in deze bundel om.”

Komt er een vervolg?

„Het zou natuurlijk mooi zijn als van alle andere provincies ook een dergelijke bloemlezing zou verschijnen. Maar dan zou ik weer helemaal bij nul moeten beginnen omdat ik niet thuis ben in de regionale kerkgeschiedenis van andere provincies. Overigens zou ik zonder moeite nog een bundel kunnen samenstellen met werk van de dichters die in deze bloemlezing zijn opgenomen. Ze hebben echt enorm veel geschreven. Maar of het ervan komt, weet ik niet.”

Op een lelye

Wat magh de mensche dogh zoo seer bekommert leven,

Als of de Hemel hem geen decksel wilde geven?

Wat roodter rooder root als daer een Roose gloeyd,

Waer siet men witter wit als daer een Lelye bloeyd?

Soo God het nietigh gras soo heerlick wil bekleden,

Sal hy dan onbesorghd sijn voor sijn lieve leden;

Sal hy dan haere ziel niet kleden met gewaed,

Dat selfs een Konincks kleed in glans te boven gaet?

Boekgegevens

Op deze woeste kusten, B. van Wijk; uitg. in eigen beheer; 238 blz.; € 23,90 (o.a. verkrijgbaar via uitg. De Schatkamer te Rumpt en theologieportaal.nl)