Auteur Ria Borkent wil zingen door de tranen heen

Het Gesprek
Ria Borkent. beeld RD, Henk Visscher
4

Haar berijming van Psalm 84 begint met de inmiddels gevleugelde regel: ”Wat hou ik van Uw huis”. Het typeert de manier waarop Ria Borkent als dichter en schrijver te werk wil gaan: aansluiten bij de traditie, maar tegelijk ook op zoek gaan naar nieuwe woorden en nieuwe vormen.

Het gesprek begint anders dan gepland, want Ria Borkent heeft een paar weken geleden bericht gehad dat haar man binnenkort voor de tweede keer geopereerd moet worden. „Hij zit in een medisch traject en daardoor worden alle andere dingen minder belangrijk.”

Normaal gesproken is ze iemand die het leven positief beschouwt. Ze is dankbaar voor alle goede dingen, ze houdt van mensen en zelfs over liederen die ze eigenlijk niet mooi vindt weet ze nog iets aardigs te zeggen. Ook haar eigen teksten hebben die positieve grondtoon, zelfs als ze over de donkere kanten van het bestaan gaan. Maar soms is het leven moeilijk: „Wie weet dat beter dan een christen? Leven is een geschenk van God. Maar ook een voortdurend sterven, weten we.”

Ze was jarenlang lid van het deputaatschap eredienst in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, ze is betrokken op de liturgie, ze denkt in Bijbelteksten uit de vertaling van 1951 en dichtregels uit de Psalmberijming en het Liedboek van 2013. Bekendheid kreeg ze zelf vooral met haar gedichten en kerkliederen, haar vertalingen van Bachkoralen en de Matthäus Passion. Het Paasoratorium dat ze samen met componist Dirk Zwart maakte –”Het Lam dat ons doet leven”– wordt dit jaar al voor de 22e keer uitgevoerd, in diverse kerken.

Nu ze 68 is, heeft ze voor het eerst een roman geschreven. Dat idee lag er al lang. Het begon met kerstverhalen in de bundels die de afgelopen jaren bij uitgeverij Mozaïek verschenen. Een paar keer vroeg haar uitgever om iets groters, maar ze had nooit een verhaal dat zich aan haar opdrong en dat geschreven moest worden. Maar nu ligt het er dan toch, ”Huis aan de Handelskade”.

Ria Borkent. beeld RD, Henk Visscher

Verdriet en vreugde komen op dit moment samen in uw leven.

„Nadat we het bericht over Jans gezondheid gekregen hadden, vroeg ik aan hem: „Moeten we de boekpresentatie niet afblazen?” Maar hij zei meteen: „Geen sprake van!” Hij heeft zoveel plezier aan dit boek beleefd, misschien nog wel meer dan ik. Je moet weten, hij is architect, hij is mijn dichtbije bron als het over bouwen gaat. Hij vond het leuk dat ik juist dat onderwerp koos om een roman in de steigers te zetten.”

Het ís ook origineel. Weinig romans gaan over de wereld van de bouw.

„Die kennis krijg je gratis mee als je 45 jaar getrouwd bent. Zoals Jan van mij al die jaren veel gehoord heeft over kerkliederen en gedichten en liturgie, zo heb ik van hem veel gehoord over huizen en kerken bouwen. Ik lees soms ook de vakbladen waar hij een abonnement op heeft.”

Een boek over een appartementencomplex, met een hoofdrol voor de voorzitter van de Vereniging van Eigenaren. Hoe kwam u op dat idee?

„We komen geregeld in Amsterdam, waar we graag af en toe een museum bezoeken. Dan parkeren we altijd op dezelfde plek en lopen we van de parkeerplaats naar de tramhalte. Jaren geleden viel het ons op dat daar een gloednieuw appartementengebouw stond, waarvan de gevelbekleding verwijderd was – overal zag je de lijmresten. „Hier hebben ze problemen”, zei Jan. Drie maanden later kwamen we er opnieuw voorbij. „Zit die gevel er nou nog niet aan?” zei Jan. Jaar in jaar uit bleef dat gebouw daar zo staan. Pas na vijf jaar hadden de bewoners hun nieuwe gevel.”

Daar zit een roman in, dacht u toen.

„Ik dacht: Wat vervelend voor de mensen die daar wonen. Blijkbaar wil niemand verantwoordelijkheid nemen voor een gemaakte fout. Je hebt machtige mannen in de wereld, die allerlei dingen doen, maar als het dan misgaat komt het probleem op de hoofden van de gewone mensen neer. De verantwoordelijkheid wordt doorgeschoven van de gemeente naar de projectontwikkelaar, van de projectontwikkelaar naar de aannemer, van de aannemer naar de architect, dan weer terug naar de onderaannemer om uiteindelijk terecht te komen bij de lijmproducent. Dat leek me een mooie kapstok voor een verhaal over groepsdynamiek bij langdurige processen. Mensen worden van het kastje naar de muur gestuurd. Wat doet dat met hen?”

Verantwoordelijkheid is een belangrijk thema voor u?

„Ten diepste gaat dit boek niet over bouwen en wonen, maar over verantwoordelijkheid en integriteit. Ik ben betrokken op de samenleving, ik denk dat het onze opdracht is om iets voor de wereld te doen. Daarin sijpelt iets door van mijn kijk op het leven. Eigenlijk wilde ik een boek schrijven waar het geloof buiten bleef – ik dacht: mensen weten toch wel dat ik christen ben, dat hoeft niet óveral in.”

Maar dat is niet gelukt.

„Ook al beschrijf ik niet hoe Sophie, de hoofdpersoon van het verhaal, bidt of in de Bijbel leest, ze dóét die dingen wel – buiten het boek. Juist daardoor kan ze zeggen: „Ik heb geen besef van God”, want ze weet hoe ver God haar gedachten te boven gaat. En juist daardoor kan het boek ook hoopvol eindigen. Dat wilde ik graag.”

U klinkt positief, hoopvol, dankbaar. Bent u ook weleens negatief of kritisch?

„Ik kan het niet goed hebben als mensen negatief doen over de kerk. Al kan ik zelf ook wel kritisch zijn over bepaalde ontwikkelingen. Bijvoorbeeld als we in de kerk geen klacht meer zingen. Daarvan wordt de liturgie te eenzijdig: liturgie is niet alleen maar lofprijzing. Ook je nood en je boosheid mag je bij God neerleggen – en als je jezelf niet persoonlijk bedreigd of vervolgd voelt, dan zing je de psalmen die daarover gaan maar plaatsvervangend voor anderen die wél met bedreiging of vervolging te maken hebben. Maar er zijn natuurlijk naast de psalmen ook heel mooie liederen. ”Houd vol” bijvoorbeeld, dat vind ik een prachtig lied uit de bundel Opwekking.”

Ria Borkent. beeld RD, Henk Visscher

U pleit voor een mix van psalmen, klassieke gezangen en opwekkingsliederen. Niet alle kerken vinden dat gepast voor de eredienst.

„Ik ben opgegroeid in de vrijgemaakte sfeer, hoewel mijn ouders zeker niet geloofden dat onze kerk de enige ware was. Dat had ook met hun achtergrond te maken: mijn moeder was van huis uit christelijk gereformeerd, mijn vader gereformeerd, en samen zijn ze gereformeerd vrijgemaakt geworden. In die kerk, met de bijbehorende liturgie, hoor ik nog steeds thuis. Maar ik heb vroeger gewerkt op de reformatorische Eben Haëzerschool in Teuge, ik weet dat het in de reformatorische wereld anders ligt.”

Hoe kwam u daar terecht?

„Eerst werkte ik op een school in Hilversum, maar toen ik ging trouwen verhuisde ik naar Apeldoorn. Juist in die tijd was er een tijdelijke vacature in Teuge. Ik dacht: Negen maanden, dat is net mooi, want ik ben straks toch meteen zwanger en dan stop ik met werken – zoals toen gebruikelijk was. Maar achteraf gezien ging het heel anders: het heeft vier jaar geduurd voor ik zwanger werd. Dat was een leerschool voor me. Niet alles in het leven gebeurt zoals jij het zelf graag wilt.”

U ging dus solliciteren in Teuge.

„Dat was een hele ervaring. Er kwamen twee limousines aangereden, en daaruit stapten zes mannen in donkere pakken. De Bijbelvertelling die aan de beurt was, ging over Jona in Ninevé. Na afloop vroegen de bestuursleden: „Juffrouw, hoe ziet u de kinderen?” Ik was 22, ik begreep die hele vraag niet, dacht dat ze het in pedagogische zin bedoelden. Had ik misschien te moeilijk verteld? Ze moesten het dus uitleggen: „Ziet u de kinderen als in Adam verdoemd of in Christus geheiligd?” Ik dacht even na en zei toen: „Dat is allebei waar.” Blijkbaar vonden ze dat antwoord goed genoeg, want ik werd benoemd.”

Hebt u een kloof tussen de gereformeerde en de reformatorische wereld ervaren?

„Ik vond het vooral heel mooi om, buiten mijn eigen kerk, een gemeenschap te ontmoeten die óók dicht bij God en de Bijbel wil blijven. Soms voelde ik wel de weelde van het gereformeerd-zijn, van het durven zeggen dat wij en onze kinderen in Gods verbond zijn opgenomen. Maar het idee dat het bij ons automatisch gaat, dat klopt niet. Het gaat bij ons ook om de toe-eigening van het heil. Kinderen reizen op het paspoort van hun ouders mee, maar het moet wel hun eigen paspoort worden. En dat gebeurt lang niet altijd.”

U hebt dat zelf ook meegemaakt.

„Ik kom uit een gezin van zeven kinderen en we hebben als broers en zussen een hechte band. We hebben zelfs sinds 1987 ons eigen tijdschrift, de Vegter-Kroniek – van huis uit heet ik Vegter. Maar de levensbeschouwelijke verschillen zijn groot. Mijn ene broer heeft vijftien jaar in de zending gewerkt, mijn andere broer zegt: „Ik wil niet gered worden.” Vroeger hadden we veel discussies aan tafel, ook met mijn vader, en dan pakte hij aan het eind van de maaltijd de Bijbel en las voor: „Word niet heftig tegen een oude man.” Zo ging dat toen. Maar op een gegeven moment hebben mensen hun keuzes in het leven gemaakt, en dan kun je daar niet over blijven doorgaan. Je kunt alleen bidden of God hen in het hart wil grijpen.”

Ook u bent opgegroeid in de rebelse jaren zestig. Wat maakte dat u wél bij de kerk bleef?

„Ik heb altijd heel veel van de kerk gehouden, ook in de tijd waarin het levensgevoel opkwam dat ik met D66 associeer. De wereld raakte van God los. Daar kwam nog bij dat onze kerk in de jaren zestig scheurde, ook dat was heftig. Maar daar stond iets tegenover. Ik maakte diensten mee waarbij ik dacht: Dít, wat ik nu hoor, is de waarheid over het leven. In dat spoor wil ik verder.”

En toen ging u kerkliederen schrijven.

„Dat was later. Ik wilde graag schrijven in de traditie van de liedboekdichters, las hun biografieën, proefde hun liefde voor de psalmen. Jaap Zijlstra zei ooit: „Hoe leer je het vak? Door de vaklui op de vingers te kijken.” Het is de manier waarop ik dichten geleerd heb. De intensiteit van veel liederen uit het Liedboek raakt me: „Wij zingen door de tranen heen, ver boven onze macht...” Kijk, dan heb je wat. Als ik dat lees of hoor, denk ik: Zo wil ik ook schrijven. Dát moet een tekst teweegbrengen, daar zit het leven zelf in, dat is hoe wij zijn: „Geschapen U ter ere, gewapend tot de dood.” Die regels rijmen qua vorm, maar inhoudelijk botsen ze. Er zit spanning in. Als je nieuwe liederen maakt en in hedendaagse taal schrijft, is het de kunst de taal op spanning te brengen, het mag niet plat worden, het mysterie moet intact blijven.”

Ria Borkent. beeld RD, Henk Visscher

U zegt niet: Laten we het maar bij de oude psalmen houden.

„Toen ik jong was, zongen wij in onze kerk uit de psalmberijming van 1773. Ook al waren er in onze kerken vanaf de jaren dertig klachten te horen dat deze berijming door de Verlichting gestempeld was, met termen als ”het Opperwezen”, en het ”pad der deugd”. Wij jongeren hadden intussen van ons zakgeld al de nieuwe bundel gekocht, op verzoek van de voorzitter van de jeugdvereniging, maar de synode had nog niet besloten dat we daaruit mochten zingen. Ik schreef als 16-jarige dus voor de jaarvergadering een ironisch liedje: „Laten we ons toch houden/ Aan het onvervalste oude/ En daarom bezingen wij vol vreugd/ Nog steeds het pad der deugd.”

Ik heb mijn kinderen vroeger geholpen bij het leren van de Heidelbergse Catechismus: „Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, dat voor ons betale?” Daar moest je veel bij uitleggen. Daarom vind ik het belangrijk om zó te schrijven dat ook de jongere generatie het punt kan pakken. Ik geef nog altijd catechisatie aan jongeren, en dan lezen we de Bijbel in Gewone Taal. Dan kunnen ze het begrijpen. Ik wil niet met taallesjes bezig zijn, maar met het geloof.”

Hoe belangrijk is het om in dit opzicht aan te sluiten bij de traditie?

„Het is belangrijk om de traditie levend te houden, maar voor mij bestaat traditie niet uit het handhaven van oude vormen en oude woorden. Dan zou de vorm tot inhoud worden. Laat de kinderen tot Mij komen en verhinder ze niet, daar gaat het om. Laten we proberen het de kinderen op het hart te binden, zowel op geloofs- als op begripsniveau.”

In uw liederen wordt soms zichtbaar dat geloven niet altijd eenvoudig is.

„Ik heb weleens in een flits gedacht: Als het nou allemaal niet waar is? Wat zouden we beschaamd zijn, al die uren die we besteed hebben aan kerk en kring en Bijbelstudie – allemaal overbodig. Toen viel me in: „Heer, kom mijn ongeloof te hulp.” Dat is een gebed uit de Bijbel, een gebed van iemand die twijfel heeft gevoeld. Daar herkende ik me in, in die gebrekkige gehoorzaamheid. Zo heb ik het slotgebed van mijn berijming van het ”Te Deum” –waarvan ik me eerst afvroeg of het geen rijmdwang was– laten staan: „Wil nooit ons beschamen. Ontferm U, Heer. Amen.”

Maar ik voel me ook vaak bevestigd in het geloof. Bijvoorbeeld door de natuur, ik kan helemaal verrukt zijn door de schoonheid van de schepping. Achter die schoonheid zie ik God. Dat is voor mij het eerste Godsbewijs. En het tweede is: ik geloof dat God tegen de mensen spreekt. Dat kan zijn in de vorm van een Bijbeltekst die je op de fiets te binnenschiet. Het kan ook gebeuren tijdens een kerkdienst, waarin een psalm gezongen wordt die speciaal voor jou bedoeld lijkt te zijn. Die psalm roept uit al zijn poriën wie God voor ons is. Op zo’n moment hoor je de stem van God.”

Ria Borkent

Ria Borkent (1950) volgde de kweekschool en werkte in het onderwijs. Ruim dertig jaar geleden begon ze met het schrijven van gedichten en kerkliederen. Ze werkte mee aan het Gereformeerd Kerkboek, Hemelhoog, Weerklank, Psalmen voor Nu en het nieuwe Liedboek. Daarnaast vertaalde ze Bachkoralen en de complete Matthäus Passion. In 2012-2013 was ze stadsdichter van haar woonplaats Apeldoorn. Ze is getrouwd en heeft vier kinderen en negen kleinkinderen. Vorige week verscheen haar eerste roman.