Armstrong wil een weg wijzen, maar wijst niet de Weg

Karen Armstrong: „Wetenschap en heilige geschriften verschillen (...) van elkaar als dag en nacht, en de toepassing van de disciplines van de een op de ander kan tot grote verwarring leiden.” beeld Wikimedia
2

Karen Armstrong was zeven jaar non in de Engelse orde ”De gemeenschap met het heilig kind Jezus” maar verliet het klooster en ging in Oxford letterkunde studeren. Ze ging zich toeleggen op studie van de drie monotheïstische religies en kreeg wereldbekendheid met haar eerste grote werk ”Een geschiedenis van God” (1995).

Dit boek werd gevolgd door onder andere ”De strijd om God” (2000) en ”In naam van God” (2015) en daartussen verscheen ook nog ”De Islam” (2001). Nu verscheen van haar hand ”De verloren kunst van de heilige geschriften”.

De inhoud van dit boek laat zich goeddeels typeren door deze volzin: „In veel opzichten lijken we in de moderne wereld de kunst van de heilige geschriften te verliezen. In plaats van deze te lezen om tot verandering te komen, gebruiken we ze als bevestiging van onze eigen opvattingen – ofwel dat onze religie goed is en die van onze vijanden verkeerd, ofwel in het geval van sceptici dat religie geen serieuze aandacht waard is. Maar al te veel gelovigen en niet-gelovigen lezen deze heilige geschriften nu op een halsstarrige letterlijke manier die totaal verschilt van de veel inventievere en sterkere benadering vanuit de premoderne spiritualiteit.”

Onder ”heilige geschriften” verstaat de auteur niet alleen de Heilige Schrift maar ook de in haar ogen heilige geschriften van andere religies die ze gelijkelijk waardeert. Daarmee is tevens de ontwikkelingsgang van de auteur getypeerd, van gelovige kloosterlinge tot een religieuze zonder geloof in de unieke openbaring, zoals Israëls God Zich in het begin van de mensheidsgeschiedenis bekend heeft gemaakt.

Tijdens een recent bezoek aan Nederland liet Armstrong in dagblad Trouw weten dat wat ze dan toch „de liefde van God” noemt vooral ook in de islam heeft ontdekt.

Waarin bestaat voor Armstrong dan het heilige van de beoordeelde geschriften? Ze wil terug naar wat de auteurs ervan in het prille begin hebben beoogd. Hierover een kenmerkende zin: „Zodra de eerste mensen met werktuigen leerden omgaan, schiepen ze kunstwerken, in een poging het angstaanjagende, het wonderbaarlijke en het mysterieuze van het bestaan te doorgronden.” Maar: „Wat wij als waarheid beschouwen slaat (...) onvermijdelijk op een wereld die we voor onszelf construeren.” „We kennen allen de ”God” die we zelf hebben gecreëerd.” In iedere mens schuilt namelijk een goddelijke kern. De heilige geschriften van de grote religies zijn niet meer maar voor haar ook niet minder dan een vorm van kunst, waarmee het onzegbare wordt uitgebeeld.

Rechterhersenhelft

Armstrong stelt, samen met wat neurologen de laatste decennia zeggen te hebben ontdekt, dat die oerreligieuze kunst wortelt in de rechterhersenhelft van de mens, die een essentiële rol speelt bij het scheppen van poëzie, muziek en religie. Die rechterhersenhelft heeft bijvoorbeeld de beeldhouwer al geïnspireerd die ooit de Leeuwmens schiep, „de vroegste getuigenis van religieuze activiteit van de mens”, die kort voor de Tweede Wereldoorlog werd ontdekt in een grot in Zuid-Duitsland. De linkerhersenhelft vat de dingen liever veel meer letterlijk op. De rechterhelft is afgestemd op „het Andere – alles buiten ons”, terwijl de linkerhelft alleen maar rationeel te werk gaat inzake dat wat hij niet bevatten kan. Armstrong zegt: „Wetenschap en heilige geschriften verschillen daarom van elkaar als dag en nacht, en de toepassing van de disciplines van de een op de ander kan tot grote verwarring leiden.” Zo kreeg, zegt ze bij herhaling, de betekenis van die geschriften op den duur „een lading die nooit zou zijn opgekomen bij de oorspronkelijke auteurs.”

Naar twee kanten heeft Armstrong dan haar kritiek op de omgang met de Bijbel: „Omdat de scheppingsmythen niet op één lijn staan met recente wetenschappelijke ontdekkingen hebben militante atheïsten de Bijbel veroordeeld als een verzameling leugens, terwijl christelijke fundamentalisten het creationisme als een soort ‘scheppingswetenschap’ hebben ontwikkeld met de claim dat het boek Genesis tot in detail wetenschappelijk klopt.” En ook: „Religieuze zionisten citeren ‘bewijsteksten’ ter ondersteuning van hun claim op het Heilig Land en ter rechtvaardiging van hun vijandigheid tegen de Palestijnen.” Tegen al deze letterlijke interpretaties, met overigens evenzovele voorbeelden uit andere religies, trekt ze ten strijde. Het is alles ”solo ratio”, alleen het verstand. Zo spreekt zij bijvoorbeeld ook over „de verderfelijke Schadenfreude van het boek Openbaring”, waarin wordt uitgekeken „naar een eindtijdscenario waarin wedergeboren christenen vanuit een veilige uitkijkpost in de hemel genieten van de kwellingen die hun vijanden ondergaan.”

Of al die geschriften dan geen betekenis hebben voor vandaag? Mits ze maar in hun oorspronkelijke bedoeling worden gebruikt zijn ze voor vandaag heilig, want multi-interpretabel, veranderlijk toepasbaar binnen elke (culturele) context. Het gaat om „de kunst van het interpreteren.” De Bijbel en de krant naast elkaar. Jezus „belichaamd in het dagelijkse leven.” Sociale rechtvaardigheid, bijvoorbeeld toegepast op de bootvluchtelingen. Simson, de nationale held voor de Joden vandaag, op het doek gebracht door schilders de eeuwen door en in taal verbeeld door menig schrijver.

Avondmaal

Ik volstond met aan te geven vanuit welk gezichtspunt Armstrong dit boek schreef. Ongenoemd bleven de lijnen die ze in dit imposante boek trekt door de verschillende religies, in hun oorsprong en ontwikkeling, samengebracht in drie onderdelen: kosmos, mythos en logos. In het laatste onderdeel schetst zij, in een hoofdstuk met de titel ”Sola Scriptura”, de Reformatie in de 16e eeuw, waarbij ze met name de verschillende visies van Calvijn, Luther en Zwingli op bijvoorbeeld het avondmaal opvoert; voor haar het bewijs hoe multi-interpretabel ook de Bijbel zelf al is. Maar de Reformatie is voor haar toch ook een kwestie geweest van „de linkerhersenhelft.” „De ruzies over het avondmaal vertegenwoordigden een vlucht van de metaforische denkwijze naar de letterlijke.” Hier treft overigens wel, zoals in het hele boek, de grondige historische kennis van de auteur, die wordt ondersteund door een breed georiënteerde bibliografie.

Rationeel

Rest de vraag wat zo’n boek bij me oproept. Het boek behoort tot de religieuze wereldliteratuur. Armstrongs werk wordt in meer dan veertig talen vertaald. Ze maakt met haar boeken wereldreizen. Op de achterflap van het boek staat vermeld: „Armstrong wijst ons de weg bij het beteugelen van de arrogantie, de intolerantie en het geweld die het gevolg zijn van de gebrekkige hedendaagse uitleg van de heilige geschriften.” Maar, drie lijvige boeken alleen al om (de geschiedenis van) God te doorvorsen, doet de vraag rijzen –maar het is geen vraag– of de schrijfster toch zelf niet ook rationeel bezig is om met de „linkerhersenhelft” greep te krijgen op wat buiten de waarneembare werkelijkheid ligt en daarom niet verder komt dan God als creatuur van de mens.

Eigenlijk is de fundamentele vraag waarom Armstrong niet uitkomt bij de God van Israël, de God en Vader van Jezus Christus, als de enige ware God. Dan citeer ik de overbekende woorden uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis inzake het gezag van de Heilige Schrift: „Wij geloven zonder enige twijfel al wat daarin begrepen is; en dat niet zozeer, omdat de Kerk ze aanneemt en voor zodanige houdt; maar inzonderheid omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat ze van God zijn.” Het testimonium Spiritus Sancti, het getuigenis van de Heilige Geest, heeft de eeuwen door zo velen, via dat ene en enige Heilige Boek, de eeuwige God in het hart doen kennen, zoals Hij Zich daarin heeft geopenbaard. Dat getuigenis mankeert in het omvangrijke oeuvre van Armstrong, inclusief deze laatste pennenvrucht, waarin het heilige slechts als menselijke kunst wordt aangemerkt.

Wat wel aansluit bij de visie van de schrijfster inzake de omgang met de Bijbel is dat deze in wisselende tijden en omstandigheden telkens nieuw mag oplichten en ook in soms verschillende toepassingen tot uitdrukking komt. Daar is immers ook de illuminatie, het doorlichten van het Woord door de Heilige Geest voor het persoonlijk leven en de bredere levensverbanden! En wat overigens te denken van de allegorische Schriftuitleg, die de tijden door ook in orthodoxe kring aanhang vond, of de vergeestelijking van passages in de Schrift die zo direct geestelijk niet zijn, vaak genoemd de waarheid achter de waarheid?

Boekgegevens

De verloren kunst van de heilige geschriften, Karen Armstrong; uitg. De Bezige Bij; 679 blz.; € 29,99