Arie Kok schrijft roman over tanend geloof in goddelijke voorzienigheid

"Zoete zee" gaat over een fictief vissersdorp dat wel iets weg heeft van Urk. beeld Sjaak Verboom
3

„Kiezen, daar komt het op aan. De tijd van mokkend toekijken is definitief voorbij.” Dat concludeert de hoofdpersoon van de nieuwe roman ”Zoete zee” van Arie Kok ten aanzien van het geloof. Volgens de achterflap is het een boek over „het ruwe vissersbestaan, strijd tegen het water en een tanend geloof in de goddelijke voorzienigheid.”

Van dat laatste is hoofdpersoon Izak Boon een goed voorbeeld. Maar het is de vraag tegen wie hij het hardst vecht: tegen de heilige God of tegen zijn schijnheilige familieleden. Nadat er op hun kotter een bijna-ongeluk plaatsvond, had vader Boon Izak daarvan de schuld gegeven. Ten onrechte volgens Izak, omdat zijn broer Japik aan het roer stond, maar niemand gelooft dat.

Boos verlaat Izak het ouderlijk huis en het dorp Bargt en gaat in de polder wonen. Het dorp Bargt is een fictief vissersplaatsje dat lijkt op Urk: voormalig eiland van vissers die een hechte (geloofs)-gemeenschap vormen, met alle goede en bedenkelijke kanten van dien. De geschiedenis over de strijd tegen het water wordt in cursief gedrukte intermezzo’s uit de doeken gedaan.

We stappen het verhaal binnen als Izak zijn moeder naar een verpleeghuis brengt. Vader is overleden en moeder gaat snel achteruit. Ze is een gelovige vrouw met wie Izak goed kan praten, ondanks het feit dat hij zelf niet meer naar de kerk gaat. Tegenbeeld van moeder is in Izaks ogen Japik, ouderling in de gemeente van dominee Aangenoot, die in het rijtje van praat, daad, gelaat en gewaad vooral de christelijke daad lijkt te vergeten. Waarschijnlijk doelt schrijver Arie Kok op Japik als hij in een interview met CIP zegt: „Er is onder kerkgangers meer ongeloof dan we denken. Daar moeten we wat mee.”

In het begin van het verhaal merken we wel dat de familieverhoudingen getroebleerd zijn. Maar wat er precies gebeurd is, komen we nog niet te weten. Dat geeft een aangename spanning aan het verhaal: de lezer wil weten wat er nu precies gebeurd is op dat schip tijdens die bewuste reis waarop het bijna fout ging. En wat staat er voor geheims in de papieren die Izak op de zolder van zijn moeders huis vindt? Papieren die Japik het liefst zo snel mogelijk wil verdonkeremanen.

De oude Lammert, die destijds ook in het schip was, moet er meer van weten, maar die houdt zijn kaken stevig op elkaar, zelfs als Izak ontdekt dat Japik met familiegeld een huis gekocht heeft waar Lammert gratis in mag wonen. Heeft Japik zo het stilzwijgen van Lammert gekocht? Of is er meer aan de hand?

Ondertussen staat het huis van moeder te koop en onderhoudt Izak de contacten met Ivette, de makelaar. Met haar kan hij soms beter praten over het verleden en zelfs over het geloof dan met zijn familie. Maar voor Izak gaat de belangrijkste zoektocht over de vraag hoe hij zich verhoudt tot de gemeenschap die Bargt is, tot zijn familie en tot de God Die onlosmakelijk met die gemeenschap verbonden lijkt.

Hij is zeker niet los van het geloof. „Het moet fijn zijn als je dingen van het geloof zo gemakkelijk kunt aannemen”, denkt hij tijdens de uitvaartdienst van zijn inmiddels overleden moeder. Dan bedenkt hij ook dat het „op kiezen aankomt.” Maar wat hij precies kiest en waarom wordt aan het einde van het boek niet echt duidelijk.

Er komt een verrassende wending als hij het huis van moeder uit de verkoop haalt en het zelf koopt. Maar dan blijkt dat hij het koopt om er Lammert in te laten wonen. Ook al weet je als lezer inmiddels iets meer over de relatie tussen moeder en Lammert, toch blijft dit een wending die te veel giswerk aan de lezer overlaat. Een spannende vraag oproepen in een verhaal is een prachtig middel van de schrijver om de lezer geboeid te houden. Als de vraag uiteindelijk niet beantwoord wordt, blijft de lezer met een licht gevoel van deceptie achter.

Boekgegevens

”Zoete zee”, Arie Kok; uitg. Mozaïek, Utrecht, 2018; ISBN 978 90 239 5323 4; 274 blz.; € 19,99.