Afbrokkeling van de rooms-katholieke wolkenkrabber

Processie in mei 1929 in Houthem. beeld Collectie Heemkundevereniging Houthem St. Gerlach.
2

Zowel de opgang van de rooms-katholieke zuil als de neergang ervan heeft Katja Kreukels treffend verwoord in een levensverhaal van haar vader, ”Mijn vader was priester”.

De rooms-katholieke zuil was één grote, strak georganiseerde binnenwereld, die door regels, dogma’s en instituties werd afgeschermd van de boze onoverzichtelijke buitenwereld, schreef Michel van der Plas in 1963 in zijn boek ”Uit het rijke Roomsche leven”. En Godfried Bomans noemde in die tijd die zuil „de wolkenkrabber van het katholicisme”, maar hij zag wel het begin van afbrokkeling.

De vader van Katja Kreukels, Jo, groeide op in een streng rooms-katholiek gezin in Limburg. Zijn eigen vader had de priesteropleiding bij de montfortanen gevolgd, maar moest in het tweede jaar van de hogere opleiding de studie staken vanwege hoofdpijnaanvallen, nadat hij tijdens slaapwandelen uit een raam was gevallen. Hoe rijk toen in eigen beleving het roomse leven nog was blijkt bijvoorbeeld uit de populariteit van de Leenderkapel aldaar, waar in 1938 bij een „toewijding” van het decanaat Heerlen 30.000 tot 35.000 mensen op de been waren. De populariteit van die kapel was te danken aan „de Mariapropaganda van de paters.” In 1934 werden er 10.000 communies uitgereikt. De ouders van Jo gingen ook op bedevaart naar Lourdes.

De jonge Jo, geboren in 1938, speelde als kind al priestertje met alle ‘heilige’ instrumentarium van dien. Het priesterschap wenkte, want priesters hadden „de sleutels tot de hemel.” Het priesterschap had status. Zelfs de engelen zouden voor hem knielen. Hij zou missionaris worden. In die jaren bereikte de missieijver zijn hoogtepunt. In 1963 waren 9000 Nederlandse missionarissen uitgezonden, 20 procent van alle missionarissen ter wereld.

Wandeling

Al vroeg voelt Jo Kreukels een roeping tot het priesterambt. En dan maakt de auteur van dit boek met hem een wandeling door de tijd, van priesteropleiding bij de montfortanen in klein- en grootseminarie tot priesterwijding. Hoezeer ook in die jaren de Mariaverering centraal stond blijkt uit de uitvoerige beschrijving van de gang die het houten beeld van de ”Sterre der Zee” (Maria) langs de montfortaanse instituten maakte. De priesterstudent genoot ervan. Hij was 26 jaar toen hij op 27 maart 1965 tot priester werd gewijd. Ik citeer: „Alleen een priester was in staat het misoffer te volbrengen. Door de kracht van de Heilige Geest kon hij brood en wijn veranderen in het lichaam en bloed van Jezus Christus.”

Maar de wandeling wordt onderbroken door een beschrijving van de afbrokkeling van de zuil waarover Bomans sprak. In het klooster werd de televisie toegestaan. „Aandachtig keken de priesterstudenten naar de televisieoptredens van monseigneur Wilhelminus Marinus Bekkers in de actualiteitenrubriek Brandpunt van de KRO. Hij verkondigde dat de kerk tegemoet moest komen aan de wensen van de gelovigen en geen strenge moraal moest voorschrijven.”

Modernisering werd voelbaar: liederen mochten worden gezongen in de volkstaal, het bidden van rozenhoedjes werd ouderwets, paters en fraters mochten zich vertonen in kostuum (wel met een boordje), protestanten werden niet langer als ketters veroordeeld. Op de vraag of de fraters in trainingspak naar sporttraining mochten gaan, antwoordde de overste van het klooster: „Als het donker is wel, dan ziet toch niemand het.”

In die tijd van de afbrokkelende zuil wordt Jo Kreukels „priester in eeuwigheid”, eerst in IJsland, met in totaal duizend roomse zielen (wat voor hem een desillusie wordt), vervolgens in Bonn. Daar treft hij het volle wereldlijke leven. En daar slaat uiteindelijk de twijfel toe.

Kapstok

Tussen 1961 en 1970 hingen in Nederland in totaal 1026 ambtsdragers hun toog aan de kapstok, vaak omdat ze in „persoonlijke nood” verkeerden vanwege de celibaatsplicht. Jo Kreukels was een van hen. In 1969 trad hij uit. Bekkers vroeg begrip voor de uittocht van de ambtsverlaters. En zo is de titel van het boek verklaard: ”Mijn vader was priester”. Hij ging in het spoor van „de opstandige Amsterdamse priester en kerkvernieuwer” Huub Oosterhuis en doorbrak het celibaat. Hij geloofde niet meer in het roomse kerkbestuur, dat „ondanks zijn eeuwenoude geschiedenis” in zijn ogen de weg kwijt was. De openheid van het Tweede Vaticaans Concilie onder Johannes XXIII was in hun ogen ook tenietgedaan bij diens opvolger paus Paulus VI.

Dit boek is meer dan een levensverhaal. Men zou het een supplement bij het boek van Van der Plas kunnen noemen. Dat de rooms-katholieke zuil teloor is gegaan maakt deel uit van de algehele ontzuiling in Nederland. Maar dramatisch mag de gelijk opgaande neergang van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland worden genoemd. Als de schrijfster, journalist en cultuursocioloog op paaszondag 2013 nog eens de kerk in Brunssum bezoekt waar haar vader vroeger de eerste mis ontving, met ongeveer duizend kerkgangers, treft ze nu nog lege banken. Vol ongeloof zouden haar opa en oma zijn geweest „als je ze nu zou vertellen dat de kerkbanken alleen nog met Kerstmis gevuld zijn, dat leegstaande kerken worden verbouwd tot partycentrum, boekhandel en zelfs tot woonhuis en dat de meeste kinderen niet meer weten hoe ze een weesgegroetje moeten bidden.” In bepaalde protestantse regio’s en denominaties is het niet anders gegaan. Maar Rome is wat kerkverlating betreft onbetwiste koploper.

De schrijfster zelf ging rond haar veertiende niet meer naar de kerk, maar raakte wel geïnteresseerd in religie en culturen. Ze schreef bijvoorbeeld ook een boek over de orthodoxe Joden in Antwerpen. Met haar vader ging ze terug naar voor hem oude en vertrouwde plaatsen, in kerken, kloosters, kapelletjes en archieven. Ze interviewde hem en anderen „zo neutraal mogelijk” en schreef met respect en verwondering. Dat leverde een boek op dat zich laat lezen als een roman, waarin Rome in haar oude gestalte en het huidige Rome met de teloorgang van de zuil helder voor het voetlicht komen.

Haar vader, zegt ze ten slotte, zal kerk en geloof nooit de rug toekeren. „Voor hem zou het onverteerbaar zijn als God en het hiernamaals niet zouden bestaan.” Die kerk is dan wel Rome in moderne variant.

Boekgegevens

Mijn vader was priester, Katja Kreukels; uitg. Querido; 248 blz.; € 21,99