Aan de Theologische School in Kampen speelden zich drama’s af

De Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt aan de Broederweg. beeld RD
2

Ze zijn door de geschiedenis heen gekropen, de historici Wim Berkelaar en George Harinck. Van stap tot stap hebben ze in ”Domineesfabriek” de ontwikkeling opgetekend van de Theologische School van de afgescheidenen die in 1854 in Kampen werd gestart, tot en met de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt vandaag. Met onderweg twee kerkscheuringen.

Geboeid kroop ik zelf door deze universiteitsgeschiedenis heen. Geen detail bleef onbenoemd. Het is onmogelijk recht te doen aan de volheid van gedachten en thema’s. Ik geef slechts een helicopterview, met een paar kanttekeningen.

Kerk en wetenschap

Alle begin is moeilijk. De school startte in 1854 met vier predikanten als docent. In velerlei opzicht was de opleiding gebrekkig. Maar er was slechts één doel: de 130 ontstane gemeenten van afgescheiden signatuur te bemannen met dienaren van het Woord. Tot en met 1869 werden al 227 studenten ingeschreven. Ook bij orthodox-hervormden bestond in die jaren sympathie voor de opleiding.

Maar toen verscheen Abraham Kuyper op het toneel. Hij stichtte in 1881 de Vrije Universiteit (VU), met theologie als wetenschappelijke discipline naast andere wetenschappelijke faculteiten, hoewel ook gericht op de opleiding van predikanten. Daarmee werd hij „een vriend en concurrent” van de opleiding in Kampen.

Slechts ds. S. van Velzen, docent in Kampen, stond positief tegenover Kuypers streven. Ambivalent was de positie van de vermaarde dogmaticus Herman Bavinck. Hij promoveerde in Leiden, was aanvankelijk hoogleraar in Kampen, bedankte een keer voor een benoeming aan de VU en werd daar uiteindelijk toch hoogleraar. Toen hij zijn werk in Kampen begon, had hij overigens al „een reserve jegens het daar gangbare theologiseren.” Maar hij torende wel boven allen uit, schreef een voormalige Kamper student.

Kuyper was van oordeel dat theologie niet onder supervisie van de kerk mocht staan. En al bleef er geen student over, „haar principiële roeping (ligt) niet in de kerk, maar op het erf der wetenschap.” Bavinck wilde evenmin een theologie „los van andere wetenschappen”, maar hij wenste ook geen theologie „zo ver van de kerk als Kuyper postuleerde.” In die jaren was ook de VU een alternatief voor orthodox-hervormde studenten, vooral omdat Utrecht ‘besmet’ was verklaard, onder andere vanwege de daar opererende hoogleraar J. J. P. Valenton jr.

Kerkscheuringen

Met de komst van de VU ging intussen de helft van de Kamper studenten naar Amsterdam, waarmee de situatie in Kampen „dramatisch” werd. Nog dramatischer werd de situatie in Kampen echter vanwege twee kerkscheuringen.

De eerste werd ingezet door de vermaarde hoogleraar Klaas Schilder, met als gevolg de Vrijmaking in 1944. Schilder, de man die al voor de Tweede Wereldoorlog blijk had gegeven van een „fiere antinaziopstelling” en door de nazi’s in de oorlog gevangen was gezet, werd in die crisisjaren (1944) door de gereformeerde synode geschorst vanwege theologische geschillen. Schilder reageerde „geladen” (om niet te zeggen cynisch) op zijn schorsing: „Wat hebt gij nog getuigenis van node? Der afsnijding waardig. Het is heden Goede Vrijdag.”

Aan Schilders oproep tot vrijmaking van het synodale juk van de Gereformeerde Kerken gaf twee derde van de studenten gehoor. Daarmee was ook de nieuwe opleiding aan de Broederweg geboren, afgescheiden van de opleiding van de Gereformeerde Kerken aan de Oudestraat. Schilder werd het boegbeeld, met als theologisch specialisme „een robuuske afwijzing van het Barthianisme.” Van hem is de uitspraak „Wie niet polemiseert, is niet bekeerd.” Bij zijn begrafenis (1952) zag het zwart van de mensen.

Het stokje werd overgenomen door Jacob Kamphuis. H. J. Schilder typeerde hem bij zijn benoeming als „de bezielde”, „de profeet”, al verliep zijn benoeming moeizaam. Langzaam maar zeker groeide er echter verdeeldheid tussen de hoogleraren, met name tussen Kamphuis en Cornelis Veenhof. Waar Kamphuis een radicale vrijgemaakte koers voer, zorgde Veenhof voor opschudding. Hij was van oordeel dat de vrijgemaakte kerk een kerk „naast en met andere kerken” was. Zo keerde hij zich tegen de ”warekerkvisie” van de geharnaste vrijgemaakten.

Isolement

Daarmee kondigde zich het derde drama aan, resulterend in „de ergste crisis sinds 1944”, te weten de uittocht van 30.000 vrijgemaakten, die zich verenigden in de Nederlands Gereformeerde Kerken. Kamphuis was toen van oordeel dat „het modernistisch oecumenisme” zich had opgemaakt „tot verloochening en vernietiging van de ons genadig door de Here geschonken reformaties.”

De scheuring leek de hogeschool niet te schaden. Kamphuis was verheugd over het aantal nieuwe studenten. De kerk was homogener geworden. In het begin van de jaren 70 trokken de schooldagen 13.000 bezoekers. De vrijgemaakte zuil werd hechter. Jochem Douma –primus inter pares– werd een spraakmakend ethicus, Jakob van Bruggen een breed erkend nieuwtestamenticus.

Tegelijk tekende zich, aldus de historici, een theologisch isolement af. Maar ook ging allengs „de vaart eruit”, de doorgaande reformatie verflauwde. Kamphuis bleef in de laatste jaren van zijn loopbaan nog slechts een coryfee van „de behoudende flank.” En Douma, om het in eigen woorden te zeggen, heeft het vrijgemaakte stokje ook neer moeten leggen. ”Vroeger is voorbij”, kopt het laatste hoofdstuk.

Intussen heeft de Theologische School aan de Broederweg zich ontwikkeld tot universiteit, compleet met het lange tijd zeer omstreden promotierecht (1961) en met subsidie van de overheid als een gelijkgeschakelde opleiding (sinds 2010). En waar men aan de Broederweg nu juist de ramen ging openzetten en zich ging beijveren voor een samengaan met gelijkgezinden in een Gereformeerde Theologische Universiteit, werden in Apeldoorn de ramen gesloten. Ook dat gegeven nemen Berkelaar en Harinck nog even mee.

Glashelder opengelegd

Ik maak mijn compliment aan de schrijvers van dit imposante boek. Hoogwaardige geschiedschrijving, openhartig en eerlijk. Een tijdperk van ”kleine luyden”, in opkomst en neergang, wordt glashelder opengelegd. Ik kan slechts één conclusie trekken: in het zelfgekozen kerkelijke en theologische isolement bleek uiteindelijk geen kracht te liggen. Daarom noem ik de ontwikkelingen in Kampen dramatisch.

De kanttekeningen die ik maak, zijn aanvullend bedoeld. Om te beginnen is er nauwelijks een referentie aan wat ik dan maar grofweg de bevindelijke sector van kerk en theologie noem. Kort wordt gestipuleerd dat men zich aan de Broederweg een eigen positie verwierf tegenover evangelischen en reformatorischen. Maar met name de oudere generatie predikanten uit de kring van de Gereformeerde Bond was behalve op Utrecht vroeger ook georiënteerd op Kampen. Dat komt niet uit de verf. De christelijke gereformeerden komen nog het meest aan bod.

Verder komen de ontwikkelingen aan de Oudestraat na de scheuring van 1944 nauwelijks ter sprake. Een korte aanduiding dat aan de Oudestraat in Kampen en aan de VU „de traditie het steeds duidelijker aflegde tegen de actualiteit”, lijkt voldoende. Maar er waren toch ook tegenkrachten? Dat iemand als Klaas Runia slechts één keer wordt genoemd, mag worden betreurd. De invloedrijke Herman Ridderbos komt wel ter sprake, maar die was er dan ook al voor de scheuring.

Nog een puntje: dat Cornelis Veenhof na het drama van 1966 door al zijn kerkelijke zekerheden was heen gezakt, zoals hij mij ooit toevertrouwde, had mogen worden uitgediept. Hij zocht breed contact in de gereformeerde gezindte, wat bijvoorbeeld zichtbaar werd in zijn betrokkenheid –vanuit een sterke sociale bewogenheid– bij de oprichting van de Gereformeerde Sociale Academie De Vijverberg in Ede, nu de CHE.

En ja, die titel. Een domineesfabriek doet denken aan de productie van blikken dominees. Had beter gekund.

De andere Kamphuis

Ik vraag ten slotte aandacht voor de andere Jacob Kamphuis dan degene die in dit boek naar voren komt. Hij was inderdaad de geharnaste vrijgemaakte. Maar hij was ook de vrome mens van de Afscheiding. Zijn rectorale oratie ”Op zoek naar de belijdende volkskerk” (1967) had breder aandacht verdiend. Daarin toonde hij meer affiniteit met de hervormde dr. Ph. J. Hoedemaker, de strijder voor zulk een kerk in de gestalte van de Hervormde Kerk, dan wordt beschreven. Kamphuis was niet slechts kritisch, maar ook, met Hoedemaker, verlangend naar zo’n nationale belijdende kerk.

Ten slotte: toen ook Kamphuis zijn vrijgemaakte idealen zag vervluchtigen, zocht en vond hij niet slechts aansluiting bij zijn conservatieve achterban, maar meer nog bij ”broeders”(!) buiten die kring. Indrukwekkend was een hartenkreet van hem tijdens een ontmoeting in kleine kring, die hij kort voor zijn heengaan nog had geïnitieerd. Daarin bracht hij zijn hartelijk verlangen naar eenheid van gereformeerde belijders, liever nog van een gereformeerde kerkelijke gestalte in Nederland, naar voren. Deemoedig, bevindelijk, hartstochtelijk. Zo herinner ik hem mij het liefst.

Boekgegevens

”Domineesfabriek. Geschiedenis van de Theologische Universiteit Kampen”, George Harinck en Wim Berkelaar; uitg. Prometheus, Amsterdam, 2018; ISBN 978 90 351 4387 6; 683 blz.; € 49,99.