„Bezinning op zondeval urgent”

Soteria, kwartaalblad voor evangelische theologische bezinning biedt in een themanummer een bundeling van tien artikelen uit de afgelopen 25 jaar.

„Nu de kerken minder gemakkelijk terug kunnen achter Darwin dan wij dachten, wordt een bezinning op de historiciteit van de zondeval steeds urgenter.” Dat stellen dr. Ad van der Dussen en dr. Bernhard G. J. Reitsma in een themanummer naar aanleiding van 25 jaar Soteria, kwartaalblad voor evangelische theologische bezinning.

Het blad biedt een bundeling van tien artikelen uit de afgelopen 25 jaar met een afsluitend artikel van Van der Dussen en Reitsma. Daarin stellen zij vast dat de evangelische beweging het belang van academische theologie „terdege” is gaan inzien. „Evangelische theologen praten deskundig mee over vrijwel alle problemen waarmee hun katholieke en oecumenische collega’s zich al veel langerbezig hielden.”

Er zijn verschuivingen opgetreden in de afgelopen 25 jaar, waarvan de artikelen in Soteria getuigenis afleggen. Zo is er meer aandacht voor de vraag hoe wij de Bijbel verstaan en hoe wij die verstaanbaar ter sprake kunnen brengen. Veel christenen houden zich minder bezig met het hiernamaals en richten zich meer op heil en onheil in deze wereld. „Dat mensen verloren kunnen gaan spreekt voor menigeen minder tot de verbeelding dan dat miljoenen mensen in bittere armoede leven en sterven.”

Er is binnen de evangelische beweging afstand genomen van het biblicisme, stellen de auteurs. „Eerlijk en moedig werd toegegeven, dat niet langer kon worden volstaan met de traditionele antwoorden op moeilijke vragen.” De zorg over de moderne theologie betekende niet dat haar probleemstelling als irrelevant werd beschouwd. „Juist vanwege de overtuiging dat de kerk missionair aanwezig dient te zijn in de moderne wereld voelden de evangelischen zich gedrongen om betere vragen te stellen dan zij vroeger gedaan hadden, en betere antwoorden te geven dan elders te horen waren.”

Verwerking

Voor een gedeelte van de achterban was die ontwikkeling moeilijk te verteren, erkennen de schrijvers. Ze willen vasthouden aan „het blijmoedige en zekere getuigenis” van de evangelischen, aan hun vaak onmodieuze moraal en diepgaande cultuurkritiek. Maar dat mag volgens de auteurs niet leiden tot een heimwee naar eenvoud en een „ongeschokte zekerheid.”

De houding mag niet angst zijn, wat in het fundamentalisme en biblicisme wel zou dreigen. Zo komen de schrijvers tot een van de hete hangijzers, de discussie over Genesis in het Darwinjaar. „Het is immers één ding om een fundamentalistische lezing van Genesis 1 en 2 los te laten. Het is heel wat lastiger om dan vast te houden aan een historische lezing van Genesis 3.”