Besluit over hypotheekrenteaftrek wordt er niet simpeler op

Wellink. Foto ANP ANP

DEN HAAG – Nadat maandag het Internationaal Monetair Fonds (IMF) Nederland al maande nu toch écht de hypotheekrenteaftrek eens aan te pakken, voegde gisteren ook DNB-president Wellink zich in dit koor. Voor politici wordt het er echter niet simpeler op.

Veel is onzeker in het leven, maar dat het IMF de regering zo ongeveer ieder jaar toch minstens één keer wijst op die afschuwelijke renteaftrek, daarop kun je de klok gelijk zetten.

Deze week was het weer raak. Het IMF adviseerde de regering om de „genereuze aftrek” in de toekomst te beperken omdat deze de Nederlandse huizenmarkt verstoort.

Bij de presentatie van zijn laatste jaarverslag als president van De Nederlandsche Bank schaarde Wellink zich hier gisteren achter.

De renteaftrek leidt volgens hem tot hoge huizenprijzen en dito hypotheken. Het zou daarom goed zijn om snel duidelijkheid te geven over het hoe en wanneer van een aanpak. „Je kunt aangeven om dit bijvoorbeeld vanaf 2020 of 2025 geleidelijk te gaan doen, zodat iedereen zich erop kan voorbereiden”, aldus Wellink.

Precies een jaar geleden adviseerde Wellnk politici nog de discussie over het h-woord maar even te laten voor wat ze was om een crisis op de huizenmarkt te voorkomen. Een besluit kon beter wachten tot betere tijden.

Het is zeer de vraag of we nu al op dat punt zijn aanbeland. De woningprijzen zijn de afgelopen twee jaar al met een kleine 10 procent gezakt, dalen nog steeds en er is bovendien geen enkele reden om aan te nemen dat de prijzen in de toekomst weer zo zullen stijgen als weleer.

Dit maakt het dilemma van politici er niet kleiner op. Neem alleen als zoiets onontkoombaars als vergrijzing. Wat de effecten daarvan zullen zijn op de woningmarkt is niet geheel duidelijk, maar dat het de prijs van de gemiddelde Nederlandse eensgezinsdoorzonwoning verder onder druk zet, lijkt geen vreemde gedachte.

Dalende huizenprijzen vergroten de kans dat steeds meer burgers straks met een hypotheekschuld zitten die hoger is dan de marktwaarde van hun woning, wat bij verkoop kan leiden tot een forse restschuld.

Zo ontstaat de enigzins bizarre situatie dat afschaffing van de hypotheekrenteaftrek –die in de achterliggende decennia juist heeft bijgedragen aan die hoge prijzen– dit probleem alleen maar nijpender maakt.

Evenwichtskunst lijkt vereist om een oplossing te bedenken die de goede elementen van de aftrek –stimulering van eigenwoningbezit– overeind houdt, terwijl de negatieve effecten –geen prikkel tot snelle aflossing– worden geëlimineerd en er tegelijkertijd een financieel bloedbad wordt voorkomen.

De duidelijkheid waar Wellink om vraagt, lijkt in dit verband geen overbodige luxe. Onzekerheid maakt de situatie er op de woningmarkt niet bepaald beter op. De huidige rust –de coalitie laat de hypotheekrenteaftrek ongemoeid– is zeer betrekkelijk voor eenieder die beseft dat de voltallige oppositie wel degelijk maatregelen zou willen nemen.