Negen jaar geëist voor moord op Zwarte John
De officier van justitie in Middelburg heeft donderdag negen jaar gevangenisstraf tegen de 34–jarige D. van den M. uit Sas van Gent geëist voor de moord op John Wijngaarde, bijgenaamd Zwarte John. Tegen de 20–jarige Y.K. uit Hulst eiste de officier een straf gelijk aan zijn voorarrest. Hij wordt verdacht van het laten verdwijnen van bewijsmateriaal.
De toen 55–jarige Wijngaarde werd op 16 mei 2003 vermoord gevonden in een loods aan de Stationsweg in Terneuzen. De man bleek al enkele weken dood in de loods te liggen. Hij was een bekende in het drugsmilieu van Terneuzen en voorzitter van de Medische Dienst Harddrugs Gebruikers (MDHG).
Het lichaam van Zwarte John werd gevonden toen een medewerker van een makelaarskantoor de te koop staande loods bezocht. Het pand was door drugsverslaafden in gebruik genomen en een aantal woonde er ook. John Wijngaarde was een van hen.
Over het tijdstip van overlijden bestaat overigens nog steeds onzekerheid. Zwarte John had op 10 januari voor de laatste keer het geld van zijn uitkering bij de bank in Terneuzen opgenomen. Uit onderzoek van de politie bleek dat het lichaam zeker vier weken in de loods had gelegen.
De politie hield eind juni een 35–jarige man en een 24–jarige vrouw uit Terneuzen aan. Begin juli 2003 kwam het tweetal vrij, omdat de verdenkingen niet ernstig genoeg waren.
In februari 2004 werd het onderzoeksteam dat de moord onderzocht, gedeeltelijk weer bij elkaar geroepen. Volgens de politie waren er tips binnengekomen die mogelijk tot de oplossing van de moord konden leiden. Op 8 maart van dit jaar werden de twee huidige verdachten gearresteerd. Volgens verklaringen van onder meer de 19–jarige, werd Zwarte John in de loods aan de Stationsstraat door de 33–jarige herhaaldelijk met een hard voorwerp op zijn hoofd geslagen. De aanleiding zou liggen in onenigheid rond drugs.
Het tweetal verliet daarop de loods, waarna de 19–jarige de jas van zijn maat moest laten verdwijnen. De man heeft daarop de met bloed besmeurde jas verbrand.
Uitspraak 5 januari.