Enthousiast musicus, optimistisch mens
Ton Koopman en zijn Amsterdam Baroque Orchestra & Choir (ABO&C) kregen een jaar geleden een grote klap te verduren: de overheidssubsidie werd stopgezet. De altijd enthousiaste Koopman was ontgoocheld. Nu is de musicus, die begin deze maand 65 werd, weer in staat vooruit te kijken. „In feite ben ik altijd een optimistisch mens.”
Nadat hij vorig jaar augustus te horen had gekregen dat zijn muziekgezelschap de gebruikelijke vierjarige subsidie van de overheid misliep, was Ton Koopman in alle staten. Hij sprak van een „schandalig” beleid van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+ (NFPK+) en stelde dat hij zich „ongelooflijk vernederd” en door zijn land in de steek gelaten voelde. In april moest hij de geplande tour met de Matthäus Passion van Bach afblazen. Koopman was gedesillusioneerd. Hij noemde de subsidiestop „een misdaad” en een „bewuste actie” tegen hem en zijn gezelschap.Vanwege de situatie moest Koopman zijn hele bureaustaf –zes medewerkers– ontslaan. Momenteel heeft hij alleen nog een secretaresse en een bibliothecaresse in dienst. De topdirigent en -organist moet zich noodgedwongen zelf bezighouden met financiën, administratie en post.
U ervoer het besluit van het fonds als een persoonlijke aanval.
„Ik heb het inderdaad als zodanig ervaren, ja. Je hebt het gevoel dat je in de hoek wordt gezet. Achteraf blijken er allerlei andere redenen meegespeeld te hebben. Inmiddels zijn er weer contacten geweest met het fonds. Dat was verhelderend. Vandaar dat u me in de pers geen negatieve dingen meer hoort zeggen. Het moment van terugkijken is voorbij. Het is nu tijd om vooruit te blikken. We zijn met het fonds aan het onderhandelen om te kijken of we projectsubsidies of een tweejarige subsidie kunnen krijgen.”
U was eerder dit jaar ongewoon boos.
„Het was voor mij heel uitzonderlijk dat ik zo negatief was. Daar wil ik eigenlijk niet toe gedwongen worden. In feite ben ik altijd een optimistisch mens. Maar goed, ik heb gezegd wat ik voelde en daarmee m’n woede weg gesproken. Maar dan moet je weer positief zijn. Het heeft geen zin om querulant te zijn. Daarmee maak je jezelf ongeloofwaardig.”
Zijn er in het ensemble mensen afgehaakt?
„Nee. Wel is iedereen bezorgd voor dit jaar, omdat ze zien dat er veel minder op het programma staat dan normaal. Maar de loyaliteit is er. Iedereen voelt mee met wat er gebeurd is. En ze zien dat ik voor ze vecht en het niet opgeef.”
Hoe groot is de kans dat uw muziekgezelschap na dertig jaar als een nachtkaars uitgaat?
„Het zal niet uitgaan. De voorbeeldfunctie van een orkest als dit is waanzinnig belangrijk, vooral voor jongeren. Je zult wel anders moeten gaan programmeren. Natuurlijk hoop ik niet dat het mijn lot wordt om met de Vier Jaargetijden van Vivaldi te moeten gaan rondtrekken. Dáármee kun je winst halen. Maar ik heb tot nu toe nooit commerciële concessies hoeven doen aan m’n programma’s. En dat wil ik ook niet gaan doen.
Je zou met een kleinere groep kunnen gaan spelen, dan ben je goedkoper. Je kunt natuurlijk ook je koor opdoeken, dan ben je nog goedkoper. Maar mijn koor is het beste koor dat barokmuziek zingt in heel Europa! In die zin is er geen enkele reden om het op te heffen.
In ieder geval hebben collega’s beloofd me bij te staan. En er moet een heel nieuwe organisatie van de grond komen. Ik hoop dat dat met Kerst rond is. Als orkest slaan we een bladzijde om en gaan we de dingen helemaal opnieuw ijken.”
Twee jaar geleden dreigde u met uw orkest naar de Bordeaux te zullen vertrekken.
„Toen was de subsidieregeling daar veel beter dan hier. Nu is het voor zo’n verhuizing het verkeerde moment. Ook in Frankrijk ligt het momenteel lastig met subsidies.”
Intussen bent u blijkens uw agenda onverminderd druk.
„Ik ben inderdaad heel veel op reis voor gastdirecties. Ik ga nu als vaste gastdirigent drie seizoenen bij het Amerikaanse Cleveland Orchestra 18e-eeuws repertoire dirigeren. Daarnaast ben ik weer in Boston, in Chicago, in New York. Voor het eerst ga ik naar San Fransisco en naar de Berliner Philharmoniker. Vooral Amerika is druk. Je moet daar in weinig repetitietijd veel doen. Maar er is daar behoefte aan musici die met andere blik naar de 18e-eeuwse muziek kijken. Als ik in New York kom, kijken ze eerst tien minuten naar je of je van een andere planeet komt. Maar dan is er het moment dat ze zeggen: hij is in ieder geval een goede muzikant. Ik vind het een leuke ervaring, als aanvulling op mijn werk met m’n eigen ensemble, om grote orkesten te dirigeren.”
En dan speelt u Haydn, Mozart, Schubert, Mendelssohn. Hoe doet een oudemuziekspecialist dat?
„Ik probeer wat ik weet van oude muziek over te brengen op moderne instrumenten. En dan kom je een heel eind. Bij Bach koppel ik onderzoek aan een authentieke en historisch verantwoorde uitvoering. Haydn en Mozart liggen in het verlengde daarvan. Ook met die bronnen ben ik bezig geweest. De 19e eeuw is anders. Ik voer waarschijnlijk Mendelssohn een beetje ouderwets uit. Ik bekijk de muziek vanuit het verleden, en niet terug vanuit de 21e eeuw.”
Ooit zei u dat voor u de grens ligt bij de dood van Mozart in 1791.
„Ik ben nu bij 1850, want ik heb al een paar keer het Requiem van Schumann gedaan. Dat is inderdaad een enorme stap. Daarvoor ben ik ook echt gaan lezen: brieven van en literatuur over Schumann. Om te proberen de dingen te begrijpen. Als je bedenkt dat iemand een requiem schrijft voor zijn eigen dood, die hij ook nog eens zelf creëert, dan is dat heel aangrijpend. Als je dat weet, kijk je heel anders naar die muziek.”
En muziek na 1850?
„Dat is niet de muziek waar ik mee bezig ben. Ik vind dat je ook eerlijk moet zijn. In Cleveland willen ze over een paar jaar Berlioz’ Symphonie fantastique met mij doen. Ik heb gezegd: Laten we maar eens kijken, dan zijn we alweer even verder. Je moet er ook aan toe zijn. Ik heb bijvoorbeeld nog nooit de Schöpfung van Haydn gedirigeerd. Ik ken het stuk heel goed, heb het vroeger zelfs heel vaak gespeeld. Het is een werk waar ik hoge achting voor heb. Onlangs heb ik voor het eerst Haydns Die Jahreszeiten uitgevoerd. Daar wilde ik mee beginnen. En nu ben ik bereid ook de Schöpfung te doen.”
En Beethoven?
„Dat is hetzelfde. Zijn muziek doe ik heel weinig. Die is voor mij zo veel moderner. Ik heb me nu wel in Japan laten overhalen om vier Beethovensymfonieën te doen. Drie daarvan zijn nieuw voor me. Gelukkig heb ik daar altijd behoorlijk wat repetitietijd, zodat je een beetje kunt experimenteren. Daar heb ik plezier in. Het is leuk om in die toekomst te kijken. Maar het is ook heerlijk om weer terug te komen in de 17e en 18e eeuw. En natuurlijk bij Bach, mijn grootste liefde.”
Beethoven zou 25 jaar geleden ondenkbaar voor u zijn geweest. Heeft dat ook met leeftijd te maken?
„Natuurlijk. Je bent minder star naarmate je ouder wordt. Daar komt bij dat je bij de symfonieorkesten meer en meer openheid ziet om die 19e-eeuwse muziek anders te doen. Het is leuk om te zien dat je met zo’n groot orkest een slankere Mendelssohn en een gestructureerdere Schubert kunt doen.”
Wat is na 1850 de volgende grens?
„Ik denk niet dat er een volgende is. Ik heb niks met Brahms’ symfonieën, of met Bruckner en Mahler. Dat is niet de muziek waar ik naar luister. Dus heb geen angst.”
Philippe Herreweghe is ook al zo ver.
„Ja, maar Philippe heeft die muziek altijd mooi gevonden. Hij hield van Bach, vandaar dat hij Bach heeft gedaan. Maar zijn droom was altijd Mahler, Bruckner, Richard Strauss. Dat vond-ie prachtig. Die droom heb ik niet. Ik vínd het ook geen prachtige muziek. Op een gegeven moment moet je accepteren dat iets jouw muziek niet is. Er zijn mensen bij wie het pas met Mozart begint, voor anderen houdt het al op bij Monteverdi. Wat je doet moet je gewetensvol doen.”
U bent 65 geworden. Mensen van uw leeftijd stoppen met werken.
„Ik zou er niet aan moeten denken om te stoppen. Je bent zo oud als je je voelt. In Leiden hebben ze gevraagd of ik nog vijf jaar de leerstoel historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk wil blijven bekleden. Vervolgens vroeg het Haagse conservatorium of ik dan daar ook nog vijf jaar wil blijven als docent klavecimbel. Als het om dirigeren gaat: tegen mijn vrouw heb ik gezegd dat ik, bij gezondheid, 85 wel een mooie leeftijd vind om te stoppen bij het Amsterdam Baroque Orchestra & Choir. Leeftijd is iets heel relatiefs. Veel mensen die stoppen met werken, zijn blij: nu gaan ze aan hun hobby’s beginnen. Maar mijn werk is m’n hobby. Ik geniet van wat ik doe. Dat maakt denk ik ook dat je jong blijft, jong van geest. Trouwens, als musicus word je vanzelf door de buitenwacht gestopt: je wordt gewoon niet meer gevraagd, dus dan houdt het vanzelf op.”
Bach, Buxtehude, Händel
Tussen 1994 en 2004 zette Ton Koopman alle cantates van Bach op cd. Ter gelegenheid van Koopmans 65e verjaardag heeft Challenge Records alle cd’s in één box uitgegeven (CC 72350). De box –67 cd’s– kost 449,95 euro.
Inmiddels is Koopman sinds 2005 met zijn volgende project bezig: de Opera Omnia van Dieterich Buxtehude. Eerder dit jaar verscheen het tiende deel, in november moet deel 11 in de winkel liggen. Deel 10 is de vijfde en laatste uitgave met Buxtehudes orgelmuziek. Deel 11 bevat weer vocale werken.
Het project is nu op twee derde. Wat nog rest zijn drie cd’s met kamermuziek en nog zo’n zeven cd’s met vocale werken. Koopman hoopt dat hij het project in 2012 af kan ronden. „In februari beginnen we met de kamermuziek. Daarvoor heb ik een Zwitserse sponsor. Daarna moet ik eerst op zoek naar de gelden om de rest van het project te financieren.”
Als hij Bach en Buxtehude naast elkaar zet? „Bach is de geniaalste componist van de hele muziekgeschiedenis. Met hem kun je niemand vergelijken. Zijn muziek is iedere keer weer overrompelend mooi. Bij Buxtehude zijn de orgelwerken absoluut de beste. Die staan op hetzelfde niveau als die van Bach. Prachtige, grote muziek! Buxtehudes vocale werken zijn heel verschillend. Je hebt heel simpele composities, voor de eenvoudige luisteraar gemaakt. Daarnaast schreef hij in opdracht ongelooflijk inventieve muziek voor het hof in Stockholm. Vaak met een kleine bezetting en heel creatief, soms ook ongelooflijk gevoelig.”
Welke ”B” er na Buxtehude aan de beurt is? „Het zou heel goed een ”H” kunnen zijn: Händel. Op dit moment zijn we aan het praten over een twaalfjarig project waarin alle oratoria van Händel uitgevoerd moeten worden, allemaal met m’n eigen ensemble. Een fantastisch project. Het zou heel leuk zijn als het zou lukken.”