VVD-Kamerlid Elias woedend op zijn partij

Elias. beeld RD, Henk Visscher
2

De Tweede Kamerverkiezingen komen eraan. Veel Kamerleden weten nu al dat ze daarna niet meer in het parlement terugkeren. Ze willen niet meer, of hun partij geeft de voorkeur aan andere kandidaten. Hoe blikken vertrekkers terug op hun tijd aan het Binnenhof? En wat zijn hun plannen voor na 15 maart 2017? Deel 3 van een vierluik.

„Ik ben woedend op mijn partij”

„Een politicus zonder vijand is een weekdier.” „Dat achterbankverhaal van de SGP is kletskoek.” „De ChristenUnie is bijna altijd links en verschrikkelijk moralistisch.” „Ik heb een scherpe tong, maar ik kan ook buitengewoon diplomatiek zijn.”

VVD-Kamerlid Elias (61) praat nooit met meel in zijn mond. Hij gebruikt bijna altijd ronde bewoordingen om zijn mening duidelijk te maken.

Als de liberaal zijn mening geeft over zijn gedwongen vertrek uit het Haagse, dan is daar ook geen woord Frans bij: „Dat mijn partij mij niet kandideerde voor de verkiezingen kwam voor mij als een donderslag bij heldere hemel. Het heeft me diep geraakt. Ik ben woedend dat ik geen plekje kreeg. Nu heb ik zelfs de kans niet om campagne te voeren voor voorkeurstemmen.”

Op de vraag of die woede kan resulteren in het opzeggen van het partijlidmaatschap, zegt Elias: „Daar moet ik over nadenken. Ik maak eerst mijn contract met de kiezer af. Ik ben nog volop bezig. Ik ben onder meer waarnemend Kamervoorzitter en dat blijf ik doen tot mijn afscheid op 23 maart.”

„Onheus”, noemt Elias het dat hij nooit inhoudelijk antwoord kreeg van het VVD-bestuur op de vraag waarom hij niet op de kandidatenlijst mocht staan: „Partijvoor­zitter Keizer meldde me alleen dat ik vijanden in de partij heb. Maar ik ben ze niet tegengekomen. Maar al zouden ze er wel zijn, dan vind ik dat geen probleem: Een politicus zonder vijand is een weekdier.”

Elias kwam in 2006 op de VVD-kandidaten­lijst, mede naar aanleiding van een oproep van VVD-voorman Rutte. „Hij wilde ondernemers op de lijst. Ik heb die uitdaging opgepakt en ben in 2008 in de Tweede Kamer terechtgekomen. Uit idealisme voor de publieke zaak. Tegen een flink lager salaris. Mijn florerende bedrijf op het gebied van communicatie, waar vijftien man werkte, heb ik verkocht.”

De VVD’er koos onder meer voor de politiek om een eind te maken aan de verspilling van belastinggeld. „In de buurt van mijn woning in Den Haag werd jaren geleden een rotonde aangelegd voor een restaurant dat toen al twee jaar was gesloten. Ongelooflijk.

Ik denk dat ik in de loop van de jaren maar liefst 1 miljard euro voor de rijksoverheid bespaarde. De belangrijkste besparing heb ik bereikt door afschaffing van de zogeheten bapo-regeling voor onderwijs­gevenden. De bapo was een regeling waardoor oudere leerkrachten tegen zeer gunstige financiële voorwaarden minder konden gaan werken. Toenmalig minister van Onderwijs Van Bijsterveldt (CDA) durfde deze niet af te schaffen; ze was bang voor ruzie met de bonden. Ze zei tegen mij dat ze de regeling wél zou afschaffen als ik daar een Kamermeerderheid voor zou vinden. Dat is gelukt. Ik heb toen een goede fles wijn van haar ontvangen. Mijn politieke antenne is –denk ik– vrij goed ontwikkeld.”

Wat had u de afgelopen jaren anders willen doen?

„Nou, eerlijk gezegd niet zo veel.”

Waar bent u trots op?

„Dat de overheid honderden miljoenen euro’s bespaart en nog zal besparen door een andere werkwijze bij de realisering van ict-projecten. Dat vloeit voort uit een commissie die onder mijn leiding hierover duidelijke aanbevelingen uitbracht. Nu is er een bureau dat nieuwe ict-projecten toetst. Er zijn al vele projecten tegengehouden die miljoenen euro’s zouden verslinden.

Verder ben ik er trots op dat VVD en PvdA de afgelopen jaren het kabinet, dwars door de enorme bezuinigingen heen, op de rails hebben gehouden. Als fractiesecretaris droeg ik daar zeker ook aan bij. Ik werkte samen met PvdA-secretaris Vermeij en later met Arib, de huidige Kamervoorzitter. Mijn tong is dan wel scherp, maar ik kan ook buitengewoon diplomatiek zijn. Ik heb met deze PvdA’ers nooit ruziegemaakt. Vorige maand kreeg ik een hoge Franse onderscheiding vanwege het bevorderen van contacten tussen Frankrijk en Nederland. Zo’n onderscheiding ontvang je niet als je je als een olifant in de porseleinkast gedraagt. Frankrijk is overigens een prachtig land; we hebben er een tweede huis.

Ook onder Rutte I, met CDA en PVV, was het goed werken. Er was een fatsoenlijk regeerakkoord, zonder een letter onverdraagzaamheid erin. Dat de SGP meestuurde vanaf de achterbank is kletskoek. Wij snapten nog voor het kabinet was gevormd dat we de SGP een beetje tegemoet moesten komen. Met de ChristenUnie heb ik niet veel. Die is bijna altijd links en verschrikkelijk moralistisch.”

Vanuit welke levensovertuiging deed u uw werk?

„Vanuit verantwoordelijkheidsbesef. Ik kom uit een lichtvoetig katholiek nest. Ik heb een open opvoeding gehad. Mijn vader heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog in een kamp gezeten omdat hij niet voor de Duitsers wilde werken. Dat stempelde ons gezinsleven. Als je het echt ergens mee oneens bent, moet je voor je opvatting uitkomen.”

Doet u nog iets met het rooms-katholieke geloof?

„Nee. Ik houd wel erg van kerkmuziek en kan de geloofsbelijdenis nog opzeggen in het Latijn, maar heb vrij vroeg afscheid genomen van het geloof. Ik kijk er met plezier op terug, maar heb er gewoon niets mee. Ik ben een echte liberaal.”

Waar haalt de liberaal dan zijn moraal?

„Gewoon, er is een aantal basisregels. Laat ieder de grens tussen mijn en dijn goed in acht nemen, goed en kwaad blijven benoemen en betrouwbaar zijn in afspraken. Wat ik ook heel belangrijk vind, is omzien naar de ander. Mijn ouders zeiden altijd: Doe wel en zie niet om.”

Dus toch de geboden uit de Bijbel?

„Dat zou ik niet willen zeggen. Het zit in onze cultuur verankerd. Ik ben echt niet christelijk. Echt niet. Ook niet stiekem.”

2016-12-31-ACC_-Van_Bommel-3-FC-V_webVan Bommel (SP) en Eijsink (PvdA) over hun naderende afscheid als Kamerlid

SP-Kamerlid Bashir wil liever te vroeg uit Kamer weg dan te laat

Hij groeide op in Afghanistan, maar vluchtte als negenjarig jongetje naar Friesland, om op zijn twintigste het jongste Kamerlid in de Nederlandse parlementaire historie te worden. Binnenkort zegt Farshad Bashir (28) Den Haag vaarwel.

Van zijn eerste levensjaren, in de verscheurde en verwoeste oorlogs­stad Kabul, kan SP-Kamerlid Bashir zich nog maar weinig herinneren. „Woestijn, hitte, droogte”, borrelen in hem op. Maar ook: sneeuw. Véél sneeuw. „Bergen waar ik als jongetje letterlijk tegenop keek.”

In Nederland vielen hem meteen het vele groen en de „héél grote koeien” op. En natuurlijk de regen. „We arriveerden in de zomer van 1997. Het leek alsof het eindeloos regende. En al dat water liep keurig weg. Bijzonder. In Afghanistan betekende veel regen áltijd een overstroming.”

Waarom Bashir met zijn familie uit Afghanistan was weggevlucht, wist hij toen nog niet. Voor zijn gevoel waren ze op een grote, leuke reis. Pas toen medeleerlingen op zijn basisschool in het Friese Mantgum hun nieuwe klasgenoot vroegen waaróm hij eigenlijk gevlucht was, vernam hij thuis dat zijn vader als journalist zijn leven in Afghanistan niet zeker was en kort voor hun vertrek zelfs uit de gevangenis was ontsnapt waar de taliban hem hadden in gestopt.

In Mantgum, een plaatsje met amper duizend inwoners, werden de Bashirs gastvrij ontvangen. „Toen ze hoorden dat wij kwamen, vond men dat wel een beetje eng. Maar toen ze ons zagen en spraken, gingen de deuren en harten open.” Vader en moeder kregen er taalles van buren en zelf leerde Bashir op school in één jaar vloeiend Nederlands én Fries.

Je zou haast zeggen: laat íédere vluchteling standaard in Mantgum starten. Bashir, lachend: „Precies hierom zijn we als SP ook zo vóór opvang van vluchtelingen in de regio. We waren er het enige allochtone gezin. Je móést wel Nederlands leren. ”

Zijn drie broers werden ondernemer, zelf belandde Bashir al vroeg in de politiek. Altijd was hij daar de jongste: eerst toen hij op 18-jarige leeftijd SP-raadslid werd in Leeuwarden. Daarna toen hij, één dag na zijn twintigste verjaardag, beëdigd werd als het jongste Kamerlid aller tijden.

Op een leeftijd waarop menige collega de Tweede Kamer pas binnentreedt, zegt Bashir Den Haag alweer vaarwel. Niet dat hij het er niet leuk meer vindt. Integendeel. Maar beter te vroeg weg dan te laat, is zijn credo. „Ik wil geen beroepspoliticus worden. Jarenlang was ik dat jonge Kamerlid. Dat gaf me een voordeel, maar als je lange tijd niet buiten de Kamer werkt, kan wat eens je voordeel was ook in je nadeel werken. Wel heb ik van het Kamerlidmaatschap genoten: je stelt échte problemen aan de orde, zelfs al zit je in de oppositie.”

2016-12-24-ACC6-teevenaccent-4-FC-V_web„Ik ging het debat nooit uit de weg”

Toch proef je dat Bashir het oppositie voeren –verschillen uitvergroten in plaats van ze overbruggen– ook wel een beetje moe is. Als mooiste herinnering noemt hij de momenten van saamhorigheid: samen met anderen strijden voor eenzelfde doel. Zoals in de periode dat hij lid was van de parlementaire enquêtecommissie die het falende beleid van woningcorporaties onderzocht. „Dat was bijzonder. Politici van zes partijen deelden allemaal dezelfde conclusies. Dan doet politieke kleur er eventjes niet toe.”

Misschien dat hij het daarom nog steeds zo betreurt dat zijn SP de verwachtingen in 2012, toen de partij als grootste piekte in de peilingen, niet waar wist te maken. En dus niet in het kabinet, maar opnieuw in de oppositiebankjes belandde.

Of we Bashir nog terugzien in de politiek is de vraag. „Zeg nooit nooit”, zegt hij. Vooralsnog zoekt hij echter emplooi in het vakgebied dat hem door zijn woordvoerderschap financiën het meeste eigen werd: de fiscaliteit. „Wellicht kan ik bij een belastingkantoor aan de slag, of start ik zelf een adviesbureau. Waarschuwing vooraf: voor agressieve constructies om belasting te ontwijken, moet je niet bij hem zijn. „Ik zal mijn principe, dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen, nooit verloochenen.”

Sinds 2009 komt u ook op voor een eerlijke belastingdruk voor eenverdieners. Soms lijkt u de enige binnen uw partij te zijn.

„Het belastingstelsel is ontzettend ingewikkeld. Dat verklaart dat mijn partijgenoten er niet snel een uitgesproken mening over hebben. Ik heb dat ook niet altijd over hun dossiers. Maar de hoofdschuldige is natuurlijk het Centraal Planbureau, dat met zijn rekenmodellen de speelruimte voor politici bepaalt. Helaas laat ook mijn partij het verkiezingsprogramma door­rekenen door het CPB, dat stelt dat er banen bij komen als we maar méér mensen de arbeidsmarkt op duwen. Terwijl ik om me heen werklozen zie die zich suf solliciteren zonder aan de bak te komen. Als je meegaat in dat CPB-stramien is iets goeds doen voor eenverdieners praktisch onbetaalbaar. Van dit economisme moeten we af, zodat principes als solidariteit weer een rol gaan spelen. Kijk, als ergens een vereniging van eigenaren onderling de lasten verdeelt, zegt men toch ook niet: Jij bent eenverdiener, dus jij moet méér betalen! Waarom doen we dat dan bij de inkomstenbelasting dan wél?”

U groeide op als moslim. Bent u gelovig?

„Ik praktiseer niet. Aan de ene kant vind ik mensen die blind geloven wat gemakzuchtig. Maar dat vind ik ook van mensen die klakkeloos aannemen dat er niets is na dit leven. Als oud-natuurkundestudent fascineert het me dat we zijn opgebouwd uit moleculen en atomen die ten diepste weer uit bijna niets bestaan. RD-artikelen waarin natuurkunde en de schepping bij elkaar worden gebracht, lees ik altijd met interesse. Dan denk ik: Ja, zo kun je er óók naar kijken. Of neem de Oxfordse professor Nick Bostrom, die stelt dat het erg aannemelijk is dat we in een computersimulatie leven. Uiteindelijk wéét ik het gewoon niet. Als ik overlijd, kom ik erachter. Ik wacht dat maar af en probeer ondertussen een goed mens te zijn: voor de wereld en voor de mensen om mij heen. Als er een god bestaat, dan geloof ik dat hij me dan heus wel toe zal laten tot zijn hemel.”