Van Bommel (SP) en Eijsink (PvdA) over hun naderende afscheid als Kamerlid

SP-Kamerlid Van Bommel. beeld RD, Henk Visscher
2

Van Bommel (SP) en Eijsink (PvdA) over hun naderende afscheid als Kamerlid.

„Ik ben niet echt een volks type”

Rust en genade. Dat vindt SP’er Van Bommel (54) in de kerk. En hij vond het ook in de Kamer.

Niemand van de huidige parlementariërs zit langer in de Tweede Kamer dan Van Bommel. Ruim achttien jaar geleden legde hij voor de eerst de eed af. Sindsdien streed hij voor een actieve vredespolitiek. Nee, veel veiliger is de wereld in die tijd niet geworden, erkent Van Bommel. Toch heeft hij wel degelijk iets bereikt. „Het belangrijkste is dat ik een wezenlijke bijdrage heb kunnen leveren aan het boven tafel krijgen van de waarheid rond de inval in Irak in 2003.”

Keer op keer vroeg Van Bommel met collega’s om een onderzoek naar de Nederlandse politieke steun aan die oorlog. Dat kwam er in 2009. Conclusie: een adequaat volkenrechtelijk mandaat voor de aanval ontbrak. „Dat heeft een waterscheiding veroorzaakt in het Nederlandse politieke denken over de steun aan militaire missies. Het is onze verdienste geweest dat daarna in het regeerakkoord kwam te staan dat er een afdoende legitimatie moet zijn voordat Nederland aan een missie deelneemt.”

Het beoordelen van conflictsituaties in de wereld en meedenken over de Nederlandse rol daarin vormden de „hoofdmoot” van zijn werk. „De zwaarste verantwoordelijkheid die Kamerleden hebben, is besluiten om ergens wel of niet militair in te grijpen.”

Voordat hij zich een oordeel vormde, bestudeerde hij uitvoerig alle aspecten van een missie en sprak hij tal van deskundigen. „Duivelse dilemma’s” kwam hij dan tegen. Zoals: „Kun je met ingrijpen een genocide voorkomen? Of stort je een land juist in chaos? Bij iedere missie is dat weer lastig. Je weet namelijk nooit wat er gebeurd zou zijn als je een andere keuze had gemaakt.”

Vaak stemde Van Bommel tegen. „Meestal vanwege de context waarin zo’n missie zou plaatsvinden. Denk bijvoorbeeld aan Afghanistan. Al die internationale bemoeienis heeft dat land niet verder geholpen.”

Van Bommel speelde zichzelf in de kijker als vriend van de Palestijnen. Zo liep hij in 2009 mee in een betoging tegen de inval van Israël in de Gazastrook, waarbij hij de leus ”Intifada, intifada, Palestina vrij” scandeerde. Bijzondere affiniteit met het Israëlisch-Palestijnse conflict heeft hij echter niet. „Ik heb veel meer met de situatie in Irak en Syrië. Daar zijn honderdduizenden doden gevallen. In die landen heb ik ook meer contacten. In Koerdistan heb ik zelfs vrienden. Wat daar gebeurt, ligt me na aan het hart.”

Van Bommel is niet te beroerd om het toe te geven: voor zaken waar hij persoonlijk belangstelling voor heeft, zette hij in Den Haag graag een stapje extra. Of het nu ging om Suriname („als kind had ik al vrienden van Surinaamse afkomst”) of om motorrijden („mijn lust en mijn leven”). Als motorrijders hem vroegen een probleem aan te kaarten, maakte hij daar graag werk van.

Wat dreef hem al die jaren? Zijn rooms-katholieke opvoeding? „Die speelt wel een rol”, zegt Van Bommel. „Ik ben nog altijd gelovig. Maar ik kan niet zeggen in hoeverre mijn religieuze overtuiging doorklinkt in mijn politieke stellingname. Het is eigenlijk niet te doen om precies te determineren waar mijn idealen vandaan komen. Die zijn bepaald door een combinatie van factoren, waaronder mijn opvoeding.”

U bezoekt regelmatig de kerk. Wat vindt u daar?

„Rust en genade. Ik kom er graag. De kerk is een oase van rust in een wereld in rep en roer. En een plaats van genade: er is ruimte voor iedereen, ongeacht wie je bent, ongeacht je fouten.

Ik voel me er ook thuis omdat de kerk een gemeenschap is midden in de grote wereld. Ondanks de ontkerstening zie ik volop kansen voor een revival van de kerk als gemeenschappelijk verband. Mensen verlangen er immers naar om samen dingen te doen en samen te leven. Ondertussen vallen veel zekerheden weg. De natiestaat, het gezin. Het individuele profijtbeginsel breekt overal door. Dat is de bijl aan de wortel van onze samenleving: het tast het denken over gemeenschappelijke voorzieningen aan. Daartegen moeten we enorm in verzet komen.”

Als Kamerlid bent u ook weleens in opspraak geweest. Waar vond u op dat soort momenten rust en genade?

„Allereerst in verbanden als gezin, familie en kerk. Maar ook in de Kamer, ja. Dat mensen uit verschillende partijen naar me toe kwamen om me sterkte te wensen.

Enorme collegialiteit heb ik daar trouwens ook ervaren in 2002, toen onze zoon Marnix overleed aan hersenvliesontsteking. Na zo’n groot verlies is het werk als Kamerlid even helemaal niet belangrijk meer. De mensen om je heen juist wel.”

Hebt u nooit fractievoorzitter willen worden?

„Nee. Ik houd meer van debatteren dan van het managen van een fractie. En als voorman van de SP moet je een man van het volk zijn. Ik heb toch meer de uitstraling van een gestudeerde jongeman die het allemaal beter weet.”

U zat altijd in de oppositie. Jammer?

„Absoluut. In 2006 groeide de SP van 9 naar 25 zetels. De kiezers gaven ons een mandaat om te regeren. PvdA en CDA hebben ons toen links laten liggen. Daarmee hebben ze een slechte beurt gemaakt richting de kiezers. En dan druk ik me nog parlementair uit.”

Wat gaat u na uw Kamerlidmaatschap doen?

„Sommige mensen denken dat ik nú al weg ben. Maar in het debat over de staat van de EU ga ik minister Koenders van Buitenlandse Zaken zeker nog een verbaal pak slaag geven.

Het zal wennen zijn als ik straks geen Kamervragen meer kan stellen over zaken waarover ik me boos maak. Hopelijk kan ik de neiging onderdrukken dat via mijn opvolger toch te blijven doen.

Daarom ga ik snel iets anders zoeken. Misschien wel het trainen van politici en activisten in jonge democratieën zoals Myanmar. Onze zoon zit inmiddels op de middelbare school, dus nu kan ik eindelijk aan de slag in het buitenland.”

2016-12-24-ACC6-teevenaccent-4-FC-V_web„Ik ging het debat nooit uit de weg”

„Altijd in de hoogste drive”

Als PvdA’er Eijsink (56) in maart uit haar kamer aan het Binnenhof vertrekt, laat ze een politieke erfenis achter die beklijft.

Zo laat ze de Veteranenwet na, die de zorg voor oud-militairen regelt. „Het mooiste wat ik in Den Haag heb mogen doen. Wat aanvankelijk mijn initiatiefwet was, werd eind 2011 door alle fracties verdedigd.”

In haar eigen partij zette Eijsink drie netwerken op rond het thema defensie: een groep deskundigen die de fractie adviseert, een PvdA-bestuurderskring en een ledencollectief. „Nu de krijgsmacht weer in het middelpunt van de belangstelling staat, is gewaarborgd dat wij –ook na mijn afscheid– alle kennis en kunde in huis hebben om daarover als partij volop mee te praten.”

Voor de omwonenden van de militaire vliegbases Volkel en Leeuwarden regelde Eijsink dat er serieus wordt gekeken naar de geluidsbelasting van de F-35, die de F-16 opvolgt. „Toen ik daar in 2008 over begon, vonden collega’s dat nog grote onzin. Maar dankzij mijn inzet op dit punt kon minister Hennis van Defensie dit jaar twee F-35’s voor proefvluchten naar Nederland halen. Het geluidsaspect staat nu voor altijd op de kaart.”

De Kamer sprak daarnaast in 2015 via een motie van Eijsink uit zich te oriënteren op de voordelen van meerjarige defensieplannen. „Die hebben we nodig om structureel een betrouwbare partner te blijven van de andere Europese landen waarmee wij op veiligheidsgebied samenwerken.”

Ruim veertien jaar trok Eijsink –„altijd in de hoogste drive”– door Den Haag en door het land. „Volksvertegenwoordiger ben je 7 dagen per week, 24 uur per dag. Zelfs op zondag zat ik in mijn werkkamer te bellen met militairen. Of reageerde ik op e-mails van mensen die soms na lang wikken en wegen de stap hadden gezet om een Kamerlid te benaderen. Je kunt niet zeggen: „Nu ben ik er even niet.” Het werk is allesomvattend en opslurpend. Daarom is het goed er nu afstand van te nemen.”

Je doelen bereiken is in Den Haag geen kwestie van grote stappen gauw thuis, ervoer Eijsink. „Zonder vasthoudendheid en doorzettingsvermogen kom je echt niet verder. Af en toe moet je een stapje terug, om er dan weer twee vooruit te kunnen zetten.”

Daar moest Eijsink („ik heb niet het grootste geduld van de wereld”) eerst wel aan wennen. „Maar als je dat hebt geleerd, lukt het om energie en plezier te halen uit de kleine stapjes die je zet.”

Voldoening vond ze verder in de talloze gesprekken die ze voerde. „Mensen kwamen bij mij met hun vragen en verhalen. Ik kon hun dan iets uitleggen over mijn werk. Die wisselwerking schiep vaak langdurige verbondenheid.”

Samenwerken met collega’s en draagvlak zoeken, zijn volgens haar cruciaal om structurele vooruitgang te boeken. Zodat anderen jouw punten overnemen en zich die eigen maken. „Dan beklijft het. Zie de Veteranenwet.”

Dat gaat soms ten koste van persoonlijk succes, erkent Eijsink. „Het komt voor dat een ander aan de haal gaat met iets waar jij jarenlang aan hebt getrokken. Dat heb ik ook meegemaakt; een behoorlijk koude douche is dat. „Zijn we nu helemaal gek geworden”, dacht ik dan heus weleens.

Je loopt hier vaak butsen op, want veel dingen gaan anders dan je van tevoren had bedacht. Ik wil daar niet teleurgesteld in blijven hangen. Dan verzuur je en kom je niet verder. Daar moet je overheen kunnen stappen als je werkelijk vindt dat je hier niet voor jezelf zit, maar om dienstbaar te zijn aan de mensen voor wie je bent gekozen.”

Die instelling heeft Eijsink van huis uit meegekregen. „Ik ben de middelste van een elftal kinderen. Van jongs af aan weet ik wat het is om te moeten delen en onderhandelen.”

Al voordat ze de wijde wereld in trok, leerde ze ook dat je gemaakte afspraken stipt moet nakomen. „Deed je dat niet, dan kreeg je dat onvermijdelijk op je bordje terug.”

2017-01-03-ACC1-elias_voor_accent_0701-4-FC_webVVD-Kamerlid Elias woedend op zijn partij

Thuis kreeg u een rooms-katholieke opvoeding. Hoe heeft die u gestempeld?

„Mijn moeder overleed toen ik negen was. In die tijd is bij mij het gevoel ontstaan dat er meer moet zijn dan waar we hier mee bezig zijn. Ik heb me destijds, vanuit een heel kinderlijke beleving, een beeld van de hemel gevormd. Daaraan heb ik sindsdien altijd vastgehouden. Geloven is voor mij vertrouwen dat er na dit leven ook iets is.

Ik houd ervan om in de kerk te zitten. De symboliek daar en de sacramenten geven me houvast. Evenals liederen waarin iets doorklinkt van vertrouwen, waarin het gaat over het hiernamaals.

Zoals bijvoorbeeld ”Pelgrimstocht der mensen”: „Veertig jaar woestijn, onvervulde wensen, ’t land zal heerlijk zijn. Wie aanhoort ons bidden? God trekt in ons midden.” En verder: „Vrucht van eenzaam sterven, ’t leven overwon. Wij gaan ’t land nu erven. God Zelf is haar zon. Zwervers vol vertrouwen, werp uw last op Hem.” Als er met mij iets gebeurt, moet dat lied tijdens mijn uitvaart worden gezongen.”

Als Kamerlid stemde u in 2011, anders dan de PvdA-fractie, tegen de initiatiefwet voor een verbod op de onverdoofde rituele slacht. Vanwege uw religieuze overtuiging?

„Nee. De discussie over de rituele slacht was helemaal vertroebeld. Mensen luisterden niet meer naar elkaar. Joden en islamieten werd iets opgelegd wat niet uitvoerbaar was. Dat moet je niet willen.

Anders lag dat bij mijn stem tegen de initiatiefwet van D66 die orgaandonatie mogelijk maakt bij burgers die zich niet als donor hebben geregistreerd. Ik ben er diep van overtuigd dat de staat zich niet mag bemoeien met de integriteit van iemands lichaam.”

Waar wilt u uw levensweg na uw Kamerlidmaatschap vervolgen?

„Ik heb een rugzak vol ervaringen. Die bagage ga ik doornemen om te zien waar ik mijn passie en energie kwijt kan en een bijdrage kan leveren aan de samenleving.”