Onderzoek: Waan van de dag niet leidend aan Binnenhof

beeld ANP, Robin Utrecht

Kamerleden laten zich tijdens de behandeling van wetsvoorstellen niet leiden door de media of de „waan van de dag.” Tot die geruststellende conclusie komt politicologe Lotte Melenhorst MSc, die dinsdag promoveert aan de Universiteit Leiden.

Verheugd veerden ze op; de politieke verslaggevers met het beleidsterrein onderwijs in hun pakket. Het was januari 2015 en de Eerste Kamer zou stemmen over het politiek gevoelige leenstelsel. Moest de basisbeurs vervangen worden door een later terug te vorderen studievoorschot?; dat was de vraag.

Ja, leek het antwoord, want D66 en GroenLinks waren immers akkoord met de coalitiepartijen VVD en PvdA. Aanleiding om breed met de wetsbehandeling uit te pakken, was er dus niet.

Dat veranderde op slag toen een aantal PvdA-senatoren openlijk bedenkingen over het wetsvoorstel uitte. Prompt werd de komende stemming als nieuwsfeit gezien, zo stelt Melenhorst niet zonder enig sarcasme vast. Even maar, trouwens. Vrijwel meteen nadat de aarzelende senatoren zich alsnog hadden laten overtuigen door onderwijsminister Bussemaker zakte de aandacht voor het leenstelsel weer in.

Voor haar proefschrift deed Melenhorst eerst statistisch onderzoek naar alle 76 wetten die in de eerste helft van het parlementaire jaar 2012-2013 door de Eerste Kamer kwamen. Zo toont ze aan dat hoe meer journalisten over een bepaalde wet schrijven, des te meer er nog door de Kamer of het kabinet aan gesleuteld wordt. Logisch, vindt de promovenda. Journalisten reageren nu eenmaal op het gedrag van politici, terwijl Kamerleden op hun beurt weer handelen naar aanleiding van mediaberichtgeving.

Grote vraag is echter: wie reageert op wie? Oftewel, hoe ver gaat de invloed van de pers nu echt? Stellen politici wetswijziging voor omdat de media overtuigend waarschuwen voor onvoorziene consequenties van wetsvoorstellen? Trekken ze een wet in, omdat ze uit de media opmaken dat er geen draagvlak voor is?

Niets van dat al, is Melenhorsts conclusie, van zo’n inhoudelijke invloed is geen sprake. Van drie wetten bracht ze de interactie tussen politiek en media gedurende de wetsbehandeling grondig in kaart. Behalve de al genoemde Wet studievoorschot hoger onderwijs betreft het de Wet normering topinkomens en de Wet werk en zekerheid, ook wel de flexwet genoemd.

Als er als sprake is van enig effect, dan vooral van een klemtooneffect, constateert de promovenda. De media onderstrepen wat het kabinet met een wet beoogt, of hoe experts er tegenaan kijken. En Kamerleden? Zij citeren vooral uit de media wat in hun kraam te pas komt en onderstrepen op die manier hun gelijk.

Belangrijk is en blijft volgens de politicologe het primaat van de politiek boven de media. Bepalend voor de inbreng van Kamerleden in wetgevingsprocessen zijn het regeerakkoord en andere afspraken. Bovendien, als een wetvoorstel naar buiten komt, is de belangrijkste uitruil van wijzigingen tussen politieke partijen al achter de rug. De noodzaak om via de media nog meer wijzigingen af te dwingen, vervalt daarmee.

De rond het leenstelsel geschetste gang van zaken lijkt kortom exemplarisch te zijn.

Melenhorst stipt aan dat er jaarlijks een aanzienlijk aantal wetten het parlement passeert zonder ook maar enige media-aandacht te krijgen. Kanttekeningen plaatst ze ook bij de medialogica om vooral over wetten te schrijven bij de aankondiging of openbaarmaking ervan, én op de momenten waarop duidelijk wordt of ze hun doel wel of niet bereiken. Waarom niet gewoon wanneer ze worden behandeld in het parlement?, is haar vraag. En waarom altijd de focus op een mogelijk conflict, of op het politieke spel?

Dat de aandacht voor de daadwerkelijke wetsbehandeling en voor ingediende moties en amendementen slechts zeer beperkt is, noemt ze „vanuit een meer normatief perspectief” problematisch. Daar staat ook veel geruststellends tegenover: Kamerleden laten hun oren niet hangen naar de Telegraaf of Nieuwsuur, Nederland is geen mediacratie.