Duizenden Ierse meisjes tussen 1922 en 1996 „als slaven” tewerkgesteld

DUBLIN – Als je je niet gedraagt, ga je naar de wasserijen. Zo’n voorwaarschuwing wekt vandaag de dag alleen maar de lachlust op. Voor duizenden Ierse meisjes was dit jarenlang een schrikbeeld dat hen binnen de kortste keren weer in het gareel dwong.

Het heeft lang geduurd, maar eindelijk gaf de Ierse regering deze week toe dat ze meer had moeten doen om de ruim 10.000 meisjes en jonge vrouwen te helpen die tussen 1922 en 1996 gewongen waren geweest te werken in de wasserijen. Premier Enda Kenny maakte excuses.

De misdaad van de jonge vrouwen? Ze waren te rebels, te werelds, of ze waren zwanger geraakt zonder gehuwd te zijn. Daarom zaten ze in rooms-katholieke internaten waar ze overdag de vuile was van ziekenhuizen, bejaardeninstellingen en hotels moesten reinigen. Met dit zware en vaak ongezonde werk zouden deze meisjes en jonge vrouwen weer op het rechte pad gebracht kunnen worden.

De wasserijen waren in handen van rooms-katholieke nonnen van de Zusters der barmhartigheid. Anders dan de naam van hun congregatie doet vermoeden, voerden de zusters een waar schrikbewind. „We werden geknecht en vernederd”, vertelde Julie McClure deze week voor de Ierse radio. Als 13-jarig meisje werd ze geplaatst in een tehuis in Dublin. De kwade genius was een lerares die haar moeder, een alleenstaande vrouw, ervan overtuigde dat Julie op school onhandelbaar zou zijn. Een tijdje keihard werken in een zogenoemde Magdalena­wasserij zou haar goed doen.

„Het was pure slavernij,” zegt de nu 73-jarige Julie McClure. „Soms moesten we wel zestien uur werken en daarna nog bidden, mediteren. Bovendien moesten we heel vaak vasten. Dat betekende hard werken met een knorrende maag.”

Haar grote frustratie is nog steeds dat niemand haar geloofde als ze klaagde over de behandeling. „Wanneer mijn moeder op bezoek kwam en ik vertelde hoe moeilijk ik het had, werd ze boos. Ik mocht niet zo ondankbaar zijn tegenover de vrome zusters die het beste met me voorhadden. Dat meende mijn moeder oprecht. Ze wilde niet geloven dat we werden uitgebuit. Als ze op bezoek was, waren de zusters poeslief. Maar zodra mijn moeder was vertrokken gedroegen de nonnen zich als venijnige katten.”

Duidelijk geëmotioneerd vertelt Julie McClure hoe de meisjes gedrild werden in het snel en routinematig bleken, wassen en strijken. „Eén valse vouw in een laken en je werd voor de hele groep voor schut gezet. Deze hele zogenaamde heropvoeding was gebaseerd op vernedering.”

In de achterliggende jaren zijn er verschillende onderzoeken naar de misstanden geweest. Daaruit bleek dat er in sommige tehuizen inderdaad een schrikbewind bestond. Maar steeds distantieerde de Ierse regering zich daarvan. Alleen Bertie Ahern, de toenmalige premier, maakte in 1999 algemene zin excuses. Betreurd werd dat dergelijk misstanden in het beschaafde Ierland hadden kunnen bestaan. Van eigen betrokkenheid wilde de regering van Ierland echter niets weten.

Op dringend verzoek van de VN besloot de regering twee jaar geleden een onderzoek in te stellen naar haar eigen betrokkenheid. Twee weken geleden verscheen het rapport. Daaruit bleek dat de Ierse regering medeschuldig was. Een kwart van de meisjes die in de Magdalenawasserijen hadden gewerkt, waren daar geplaatst door de Ierse regering onder het voorwendsel dat het ”gevallen vrouwen” waren. Dat betekende dat ze buitenechtelijke relaties zouden hebben onderhouden. Bovendien hadden de overheid en het leger orders geplaatst bij de wasserijen.

Tot ontsteltenis van de betrokken vrouwen duurde het nog twee weken voordat Dublin excuses maakte. Het dralen heeft volgens sommigen te maken met de mogelijke consequenties van het rapport. Algemeen wordt ervan uitgegaan dat de vrouwen een schadevergoeding gaan eisen.

„Dat geld is voor mij niet het belangrijkste”, zegt Kathleen Legg uit Tipperary, die in 1968 als 17-jarig meisje in een tehuis in Dublin terechtkwam omdat ze zwanger was geraakt. De familie wilde niets meer met haar te maken hebben en vervolgens zorgde een instelling voor maatschappelijk werk ervoor dat ze in een Magdalena­wasserij terechtkwam. Haar baby werd direct na de geboorte weggehaald.

Tot op de dag van vandaag weet ze niet waar haar kind terecht is gekomen. „Het is onvindbaar, verdwenen, voorgoed. De administratie is –naar men zegt– verloren gegaan. De nonnen namen mij niet alleen het nieuwe leven af maar beroofden me ook van mijn levensvreugde. Ik draag grote littekens van dit nonnenregime. Geld is geen vorm van plastische chirurgie waardoor deze littekens verdwijnen.”