„Vroege kerk legde fundament voor antisemitisme"

Antisemitisme blijft in de Nederlandse samenleving na de Tweede Wereldoorlog springlevend. Ook christenen hebben wat dat betreft geen onbesmet blazoen, stelt NIOD-onderzoeker Evelien Gans. Archieffoto: Een bekladding op een Joodse begraafplaats in Den Haag. beeld ANP, Roger Dohmen
3

Joden hoorden lange tijd nergens bij. Daarom kon van alle kanten de agressie komen. Bijzonder hoogleraar Hedendaags Jodendom dr. Evelien Gans: „Antisemitisme zit ontzettend diep in ons collectief geheugen. Al direct na de oorlog hoorden sommige Joden: „Ze zijn vergeten je te vergassen.””

Bijna 600 pagina’s telt het vorige week verschenen boek ”The Holocaust, Israel and ‘the Jew’” (uitg. Amsterdam University Press). In het door historica dr. Evelien Gans en de Nijmeegse cultuurhistoricus dr. Remco Ensel geredigeerde werk staat antisemitisme in Nederland als multiculturele samenleving centraal. Enkele vragen aan onderzoeker Gans.

Waarover gaat kortgezegd uw boek?

„De rode draad is hoe de Nederlandse samenleving na de Tweede Wereldoorlog omging met ”de Jood”. Voor de oorlog bestonden er over de Joden allerlei stereotypen: Christusmoordenaar, woekerjood, Joden als mensen die de macht willen overnemen, de perverse Jood. Die denkbeelden bleven na de Tweede Wereldoorlog bestaan, maar de sjoa en Israël kwamen er als nieuwe aanhechtingspunten bij. Groepen binnen de Nederlandse bevolking keren zich bijvoorbeeld tegen Joden door te stellen dat Israël zelf een holocaust pleegt op Palestijnen.”

Wat voegt deze uitgave toe aan eerdere publicaties over antisemitisme?

„Antisemitisme onderzoeken is als het betreden van een mijnenveld; je maakt er meer vijanden dan vrienden mee. Jodenhaat is een verwaarloosd thema in Nederland. Systematisch onderzoek is er nauwelijks naar gedaan. Daarin onderscheidt deze wetenschappelijke publicatie zich.”

Hoe is het nu gesteld met Jodenhaat in Nederland ten opzichte van de periode net na de Tweede Wereldoorlog?

„Het is moeilijk om van meer of minder te spreken, dus daar doe ik geen uitspraak over. Zonder elke kritiek op Joden en Israël te bestempelen tot antisemitisme, zien we sommige anti-Joodse stereotypen gehandhaafd worden en andere een nieuw jasje krijgen. Voor allerlei bevolkingsgroepen blijven Joden een soort aambeeld waarop je goed je frustraties kunt afhameren. Een nieuwe holocaust zie ik niet gebeuren. Maar zolang er Joden zijn en er een Joodse staat is, zal antisemitisme bestaan. Jodenhaat zit ontzettend diep in ons collectief geheugen.”

Ook christenen maakten zich volgens u na 1945 schuldig aan antisemitisme.

„Het Rooms-Katholieke weekblad De Linie veroordeelde in 1946 een pogrom in het Poolse Kielce niet: het zou om communisten gaan. Verder toonde het Vaticaan zich met uitspraken over „zionisme als een soort nazisme” zeer vijandig jegens de staat Israël. Het eveneens Rooms-Katholieke ”De Bazuin” schreef in de jaren 80 dat het Jodendom diende te worden afgeschaft. Veel katholieken waren pro-Palestina omdat ze de opvatting huldigden dat de joodse religie met de komst van Christus overbodig was geworden.

Die laatste gedachte leeft ook in protestantse kring. In de jaren 80 moest evangelistenechtpaar Goeree zich voor de rechter verantwoorden vanwege de uitspraak dat de holocaust Gods straf was voor de Joden, omdat ze Christus hadden verworpen.

Fundamentalistische christenen zagen de in 2004 uitgekomen film The Passion of the Christ als evangelisatiemiddel, ondanks de overduidelijke antisemitische elementen die de katholieke regisseur Mel Gibson in de film heeft verwerkt. Hij schildert Joden daarin af als uiterst bloeddorstig en zeer wreed en wraakzuchtig. Het is veelzeggend dat de voormalige Palestijnse leider Arafat zich lovend uitliet over de film en zei dat Palestijnen dagelijks lijden aan dergelijk geweld.”

De SGP en CU zijn voorvechters in de strijd tegen antisemitisme.

„Dat is helemaal waar. Maar ook onder gereformeerden leefden aanvankelijk opvattingen als dat de Joden de holocaust over zichzelf hadden afgeroepen. Tevens bezagen Joodse overlevenden direct na de oorlog hun grote ijver om Joden te bekeren met argusogen en protesteerden ze er soms heftig tegen.”

Wat betekende de komst van islamitische immigranten voor Jodenhaat in Nederland?

„Eerst legden Marokkanen en Turken vooral de nadruk op hun etniciteit. De tweede generatie zocht haar identiteit meer in de islam. Veel gastarbeiders voelden zich gediscrimineerd. In hun ogen was er te veel aandacht voor Joden als belangrijkste slachtoffer van de Tweede Wereldoorlog en nauwelijks aandacht voor het koloniale verleden van hun thuisland. Hun frustraties projecteerden ze eerst op Israël en later ook op de Joden. De Koran biedt hiervoor genoeg aanknopingspunten. Tijdens de Anton de Kom-lezing twee weken geleden zei de Marokkaans-Nederlandse schrijver Manou Bouzamour dat antisemitisme voor hem vroeger toen hij met vriendjes buiten speelde hetzelfde was als ademen.”

Hoe reageerden Joden op antisemitische uitingen?

„Bij een ontgroening van het Amsterdamse Studenten Corps in 1962 werden de aspirant-leden kaalgeschoren en met ontbloot bovenlijf bij elkaar in een nauwe ruimte gepropt. De ontgroeningscommissie noemde het Dachautje spelen. Er ontstond grote maatschappelijke ophef, maar in die tijd vonden prominente Joden het nog beneden hun waardigheid om daartegen te protesteren.

Die houding veranderde toen in 1973 Arabische landen Nederland boycotten vanwege steun aan Israël tijdens de Jom Kippoer-oorlog. Enkele Nederlandse bedrijven, waaronder KLM, omzeilden dit door niet-Joodverklaringen uit te geven. Zo konden ze wel met Arabische landen handel drijven. Joden verhieven toen wel hun stem, omdat ze bang waren dat de steun voor Israël zou afnemen en antisemitisme zou stijgen. Het Centrum Informatie en Documentatie Israël werd opgericht en in 1980 de Stichting ter Bestrijding van het Antisemitisme. Een jaar later leidde een klacht van deze stichting over een prentbriefkaart van het Palestina Komitee, waarop Israël met nazi-Duitsland werd vergeleken, tot een veroordeling.

Vanaf die tijd kun je stellen dat het beneden de Joodse waardigheid gold om níét te protesteren tegen Jodenhaat.”

U verbaast zich over de nationale martelaarsstatus van Theo van Gogh.

„Deze in 2004 door een moslimfundamentalist vermoorde cineast en columnist is na zijn dood en tien jaar erna gehuldigd als kampioen van het vrije woord. Zelfs de publieke omroep typeert hem als profeet, martelaar en held. In 1984 richtte hij zich in een pamflet tegen zijn collegafilmer en rivaal Leon de Winter. „Wat ruikt het hier naar karamel? Vandaag verbranden ze alleen suikerzieke Joden”, schreef Van Gogh, waarop hij diverse strafprocessen aan zijn broek kreeg.

Ik vind het beeld van hem dat na zijn dood is gecreëerd, kortzichtig en ahistorisch. Blijkbaar is men vergeten dat hij met zijn kwetsende stijl een belangrijke rol speelde in het normaliseren van het beledigen van minderheden. In dat klimaat kon ook antisemitisme gedijen.”

Waarin ligt volgens u de oorsprong van het antisemitisme?

„Het christendom legde hiervoor het fundament. Doordat de vroege kerk zich presenteerde als grootste rivaal van het Jodendom, konden anti-Joodse vooroordelen diep wortelen.”

Het oudtestamentische boek Esther beschrijft al hoe Haman het Joodse volk wilde uitroeien.

„Ook de Romeinen, Grieken en Egyptenaren keerden zich tegen de Joden, maar eveneens tegen andere bevolkingsgroepen. Anders gezegd: bij hen was sprake van veelvoudige vreemdelingenhaat. Voor mij is het helder dat pas met de komst van het christendom een samenhangende anti-houding tegen Joden begint te ontstaan. Het stereotype bij uitstek wordt dat van de Jood als Christusmoordenaar.”