Eline de Boo: een beetje conservatief, maar met alle ruimte in hoofd en hart

Eline de Boo. beeld André Dorst
2

Ze wil graag haar dienende ei kwijt. Een beetje conservatief noemt ze zichzelf. „Maar in mijn hoofd en hart heb ik alle ruimte.” Eline de Boo is tekstschrijver, auteur, directeur, zendelinge, echtgenote en moeder. „Mijn kinderen zijn mijn grootste evangelisatieproject.”

Het is even zoeken naar een prettige plek om in gesprek te gaan. In het kantoor van de IZB in Amersfoort, een missionaire organisatie in de Protestantse Kerk in Nederland waar Eline de Boo werkt als schrijver van missionair materiaal, is het druk. Buiten schijnt de zon. Na wat wikken en wegen wordt het daarom een terrasje aan de voet van de Onze-Lieve-Vrouwetoren.

De van oorsprong Zeeuwse praat graag, liefst over meerdere onderwerpen tegelijk. „Ik ben een enorme stuiterbal.” Ze heeft ook veel te vertellen, want stilzitten, daar houdt De Boo niet van. Na haar studie geschiedenis in Leiden werkte ze enkele jaren als tekstschrijver in de Tweede Kamer voor toenmalig fractievoorzitter Verhagen van het CDA. Nog altijd draagt de gereformeerd synodaal opgevoede De Boo deze partij een warm hart toe. „Ik geloof dat de christendemocratie met haar grondtonen van gerechtigheid, rentmeesterschap, solidariteit en gespreide verantwoordelijk kan leiden tot zinnige politiek en goed bestuur. En ik vind het mooi hoe mensen de Bijbelse idealen willen uitdragen, ook als ze zelf soms niet in de Bijbel geloven.”

Na enkele jaren „een yuppenbestaan” te hebben geleid –ingrediënten: reizen, carrière maken, een huis bouwen, een nieuwe auto kopen, eten in „lekkere restaurantjes”– nam het verlangen om een langere tijd van hun leven apart te zetten voor God bij haar en haar man Geert steeds concretere vormen aan. „Begrijp me goed, we leefden echt niet alleen voor onszelf in die tijd. We waren actief in de hervormde Marekerkgemeente in Leiden, deden mee aan de kringen en droegen bij aan het evangelisatiewerk, eigenlijk vonden we onszelf best goede christenen.”

Na een gesprek met de zendingsorganisatie GZB kwam het traject in een stroomversnelling. „Ze wilden ons direct uitzenden en toen wij onze omgeving vertelden dat we misschien de zending in wilden gaan, reageerden de meeste christenen om ons heen helemaal niet verbaasd.”

Wat zagen zij wat jullie niet zagen?

„Dat we avontuurlijk waren, wisten we al en ook dat we altijd weer door willen, verder gaan. Maar dat dit betekende dat we nu al de zending in moesten, hadden we niet verwacht. Wel voelden we de urgentie ervan, dat het goed was voor Gods Koninkrijk en ook voor ons.

Ik heb geen tobberig karakter. Niet dat ik alle zorgen zomaar wegwuif of dat er niks aan me blijft kleven, maar meestal als ik ergens mee zit, zeur ik een avondje tegen Geert aan en na een nachtje slapen denk ik: We gaan het doen.”

Jullie gingen naar Japan.

„Dat was niet meteen duidelijk, maar nadat we de vacature hadden gezien voor kerkplanters in een grote stad in Oost-Azië, wisten we het.

We vertrokken met ons eerste kind, Thom, een jaar naar een Bible College in de Verenigde Staten om ons alvast een beetje los te weken van de Nederlandse context. Ik was in verwachting van onze tweede. We sloten ons aan bij een Japanse kerk en bij een Christian Reformed Church. Hier was een oude dame lid van bijna 100 jaar die uit Nederland kwam. Ze vond het heerlijk om weer Nederlands te praten en we bezochten haar regelmatig op zondagmiddag.

Tijdens een van die bezoekjes ging er iets mis. Ik merkte dat ik mijn Nederlands kwijtraakte. Daarna mijn Engels. Mijn rechterkant raakte verlamd en mijn mond begon te hangen. Naar Geert gebaarde ik dat ik naar huis wilde, maar in de auto werd ik benauwd en kon ik niet meer slikken. Met een noodgang reed hij naar het ziekenhuis. Ik had een tia.

Al snel stabiliseerde de situatie en bleek het kindje dat we verwachtten nog te leven. Ik was zo blij en dacht: Ik moet overleven om hem het leven te geven. Elf weken later is Berend geboren. Hij mankeerde niets.

De doktoren vonden het goed dat ik school weer oppakte en van alles ging doen. Ik voelde me wel extreem moe, maar verder ging het goed. Zo’n ervaring slijt natuurlijk met de jaren, maar het tekent je wel. Nog altijd als ik me moe of futloos voel, denk ik: Oh nee!”

Dat was niet de enige levensbedreigende situatie die u meemaakte.

„Toen wij in Japan woonden, maakten we daar in onze flat op de 51e verdieping van onze woontoren de op vijf na zwaarste aardbeving mee sinds deze worden gemeten. Aardbevingen zijn aan de orde van de dag in Japan, maar dit was anders. Metaal en beton piepte en knarste. Onze oudste twee waren op school en Geert en ik waren met de jongste drie thuis. Toen ik hem –Geert is stedenbouwkundige– vroeg of we het gingen redden, zei zijn mond ja, maar zijn ogen zeiden nee.

Zulke ervaringen laten schrammen op je ziel achter. Angst voor de dood is het niet alleen, daar maak ik me niet zo veel zorgen om. Maar wel om wat ik achter moet laten. Je denkt al gauw te hoog van jezelf en meent dat diegenen die je achterlaat je niet kunnen missen.”

U bent niet bang voor de dood?

„Nee, maar ik heb er ook geen zin in. Ik weet dat het goed met mij komt, het kan alleen maar beter worden. Ik ken God van jongs af als Vader en ik hoop ook dat ik Hem nooit kwijtraak. Natuurlijk moet je die relatie, net als elke andere, onderhouden. Maar Hij is groter, ook als ik zou afdwalen, weet Hij me te vinden.”

Twijfelde u nooit aan Zijn bestaan, bijvoorbeeld toen u ging studeren?

„Ik bedacht dat alles weinig zin zou hebben als God er niet was, maar ik hield dat nooit voor mogelijk. Wel kan ik vol erbarmen kijken naar mensen die menen dat Hij er niet is of dat Hij niet goed is. Wat een gemis. Wat arm, wat leeg. Dat bedoel ik niet betuttelend, maar in de zin van: wat zou je blij kunnen zijn met God.”

Zending verandert mensen. Was de Eline de Boo die in 2013 terugkwam een andere dan die in 2001 vertrok?

„Niet echt. Ik ben wel weer een beetje een yup. Nou ja, ik ben niet meer zo jong, dus noem het een up. Vooral in het genieten van dingen, God heeft zo veel gegeven om van te genieten. Wel neem ik alles meer zoals het komt. Ik kan de regie over mijn leven meer uit handen geven, omdat ik heb geleerd dat God altijd weer wat nieuws aanreikt.”

Maar daarvoor hoef je toch niet naar Japan?

„Dat krijg je ook met de jaren, inderdaad. Door ons verblijf in Japan ben ik wel anders naar de kerk hier gaan kijken. Geert en ik besloten ons weer aan te sluiten bij de Marekerk, om trouw te zijn en uit wederkerigheid. Maar o, wat moest ik wennen. Als je jarenlang aan kerkplanting hebt gedaan en alles naar eigen inzicht hebt kunnen inrichten, valt het lid zijn van een traditionele kerk niet altijd mee. Je past je op het zendingsveld aan de context aan. Je eigen smaak speelt daarbij natuurlijk ook een rol.

Die onrust blijft. Eén keer per maand preekt Geert ergens en gaan we met het hele gezin mee. De andere zondagen bezoeken we de Marekerk. We doen als gezin trouwens 95 procent van alle dingen samen. Daar is ons huis ook op ingericht, met veel glas, heel open, met een leefverdieping waar we onze wakkere uren samen zijn. Er zijn kamers genoeg voor iedereen, maar toch slapen de jongens bij elkaar en de meiden.”

Bent u als moeder erg beschermend?

„Dat kunnen mensen vinden, bijvoorbeeld vanwege het feit dat we onze kinderen naar vrijgemaakt gereformeerde scholen sturen. Thom, Berend, Julie, Fleur en Lucile zijn ons grootste evangelisatieproject. Als zij met Jezus verder leven, is onze missie geslaagd. Op een vage protestants-christelijke of openbare school wil ik mijn kinderen daarom niet hebben tijdens de uren van de dag waarop ze het meest ontvankelijk zijn. De scholen waar ze nu naartoe gaan, hebben hetzelfde wereldbeeld als wij. Christelijk, met de nadruk op de inhoud en niet op de vorm.

De tijd op het zendingsveld heeft ons als gezin gestempeld. Juist binnen die veilige kring van het gezin word je opgebouwd en hoor je dat je geliefd bent. Niet dat we alleen maar lief voor elkaar zijn, we discussiëren juist over veel dingen en kunnen het flink oneens zijn met elkaar. Maar onze kinderen weten dat geen vraag te gek is en dat ze met alles bij me mogen komen. We zijn geen democratie, Geert en ik bepalen dat de krant lezen onder het eten niet mag en dat er geen videogames in huis komen. Ga je bij een vriendinnetje spelen en heeft zij een videogame? Ga je gang. Dat noem ik nu genade. Net als het eten van pizza’s, patat en pannenkoeken. De regel is dat we gezond eten, maar af en toe een ”crazy day” moet kunnen. De kinderen genieten daar ook enorm van.”

Genade kennen Japanners niet, merkte u.

„Wel algemene genade, daar hebben ze een woord voor dat ook op de yoghurt staat. Zo’n product uit de natuur, dat noemen ze genade. Maar dat je als mens een tweede kans krijgt, is voor hen ongekend.

Er gebeurt in Japan heel veel in het geniep. Mannen gaan massaal vreemd, misschien de mannen in de kerk niet, maar een christenman en -vrouw slapen niet bij elkaar. Een huwelijk is vaak gearrangeerd of je trouwt met een goede partij. Verliefdheid zit er meestal niet bij. Als westerlingen stelden wij deze dingen aan de orde, we maakten gebruik van onze onbekendheid met de Japanse cultuur.

Het zelfmoordpercentage in Japan is enorm hoog. Als blijkt dat je overspel hebt gepleegd, dat je ontslagen bent, dat je een ongeluk hebt veroorzaakt, dan kun je maar beter dood zijn. Dat is minder erg dan schaamte en uitsluiting uit je sociale omgeving.

Als individu heb je geen bestaansrecht. Je familie, je school, je werk, dat bepaalt je identiteit. Toen onze jongsten, een tweeling, in het ziekenhuis werden geboren, kregen ze een bandje met ”Eveline 1” en ”Eveline 2” erop. Eveline is mijn doopnaam. Ik zei: „Ze hebben namen, Fleur en Lucile.” Dat werd volkomen genegeerd.”

Hoe kun je leren wat genade betekent?

„Dat is heel moeilijk. Onze kerk, waar inmiddels al vier gemeenten uit zijn ontstaan, hebben we daarom Grace City Church genoemd. Genade is iets van het hart, terwijl Japanners niet gewend zijn iets uit hun innerlijk te delen. Op het gebied van geloofsopvoeding is er om die reden nog een hele weg te gaan.

Tegelijk moet ik zeggen dat Japan niet zo veel verschilt van Nederland. Ook hier willen mensen op eigen krachten dingen bereiken. De druk die dat meebrengt en het gevoel van ontoereikendheid zijn groot. Het antwoord ligt in het Evangelie: je bent geliefd door Jezus Christus. Hij is je voorgegaan en dat mag je identiteit bepalen.

Natuurlijk roep ik het hardst dat mijn identiteit in Christus ligt, maar wat neem ik graag iets van mezelf mee. Pas als ik op de bodem van mijn bestaan ben, een heel kleine Eline, weet ik dat ik een Vader heb Die zegt: „Het is goed zo.””

Uw debuutroman is een paar jaar geleden goed ontvangen. Komt er nog een boek?

„Ik ben er met twee tegelijk bezig. Idioot, hè? Maar man, man, man: tijd, tijd, tijd. Omdat er geen deadline aan vastzit, staan deze twee boeken onder aan mijn to-dolijstje. Terwijl ik ze eigenlijk bovenaan zou willen. Schrijven werkt therapeutisch.”

Hoe wilt u vooral niet herinnerd worden?

„Als iemand die in haar gedrevenheid mensen platgewalst heeft. Soms worden je ogen voor iemand geopend en schrik je: „Dat ik jou niet eerder heb gezien, gediend, geëerd.” Ik voel me vaak ontoereikend, maar ik doe wat ik kan. Ik ben ook weer te zorgeloos om over dat soort dingen wakker te liggen. Een nacht goed slapen doet veel. Daarna is er weer een nieuwe dag met nieuwe kansen, nieuw licht. En God is er nog steeds. Hij heeft over mij gewaakt.”

Levensloop Eline de Boo

Eline de Boo-de Wilde (1972) is geboren in Dreischor. Na haar studie geschiedenis ging ze aan de slag als tekstschrijver voor de CDA-fractie in de Tweede Kamer. Met haar man Geert werkte ze als kerkplanter in Tokio. In 2013 keerden ze met hun vijf kinderen (nu in de leeftijd van 7 tot 17 jaar) terug. De Boo werkte een tijdje bij de Japanse ambassade en is nu directeur van vrijwilligersorganisatie Stichting Present Leiden-Oegstgeest en schrijver van missionaire materialen bij IZB Focus. Ze is columniste in kerkblad Onderweg, schrijft regelmatig voor andere christelijke media en spreekt voor groepen. In 2013 verscheen haar debuut ”Blauw zeil”.