„Turkije moet Aramese volk eerst erkennen”

Mient Jan Faber, juist terug uit Irak, vertelde over de moeilijke situatie in Mosul, een stad waar tot voor kort veel christenen woonden. Foto Sjaak Verboom Sjaak Verboom

„Wil Turkije tot de Europese Unie toetreden dan is de erkenning van het Aramese volk een voorwaarde die Europa Turkije kan opleggen.” Dat stelt Aziz Aygur, voorzitter van de Aramese Beweging voor de Mensenrechten (ABM).

Aygur sprak vrijdagavond in Enschede op een conferentie over de positie van de Aramese christenen. De conferentie was mede georganiseerd door het Studentenpastoraat Enschede. Aramese christenen, ook bekend als Syrisch-orthodoxe christenen, wonen onder meer in Turkije en Irak.

Aygur overhandigde een rapport over de situatie van de Aramese christenen aan CDA-Europarlementariër Ria Oomen-Ruijter en aan Mient Jan Faber, bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit. Oomen, in het Europese Parlement rapporteur met betrekking tot de toetreding van Turkije tot de EU, zei dat er in Turkije weliswaar „democratische openingen” zijn, maar dat er nog veel aan schort. „Als Turkije niet voldoet aan de criteria dan kan het geen lid worden van de EU.”

Grote druk

Aygur gaf aan dat het Aramese volk in Turkije onder grote druk staat. „In Turkije wordt het Aramese volk tot op de dag van vandaag in zijn bestaan ontkend, met als gevolg dat het geen aanspraak kan maken op rechten die wel voor andere minderheden gelden. Omdat ze geen bescherming van rechtswege genieten zijn ze feitelijk vogelvrij.”

Na de genocide in 1914-1915 –met 2,5 miljoen doden– waren er tot de jaren zeventig van de vorige eeuw nog ongeveer 90.000 Aramese christenen in het zuidoosten van Turkije. Hun aantal in de regio Tur Abdin is sindsdien gedaald tot ongeveer 3000, aldus Aygur.

Mient Jan Faber, juist terug uit Irak, vertelde over de moeilijke situatie in Mosul, een stad waar tot voor kort veel christenen woonden. Christenen in Mosul vrezen voor zwarte kruisen op hun huizen die aankondigen dat ze binnenkort ‘bezoek’ krijgen. Velen vluchtten naar de Ninevévallei, de biblebelt van Irak, waarvan de hoofdstad een zwaarbewaakt fort is geworden.

Faber vroeg zich af hoe de mensenrechten in Irak afgedwongen kunnen worden. „Zou de VN toezichthouder kunnen worden? Er moet een instantie zijn die meer doet dan als bemiddelaar optreden.” De situatie van de Arameërs is het meest schrijnend van alle minderheden in Irak, aldus Aygur. „Er zijn sinds 2003, na de val van Saddam Hussein, ongeveer 800.000 Arameërs het land uitgevlucht naar Jordanië, Syrië of het Westen. Ongeveer 100.000 zitten er opgesloten in de vlakte van Ninevé. Anderen zijn naar Mosul gevlucht, waar de situatie sterk is verslechterd.”