Toos Heemskerk vindt in straatwerk op de wallen herkenning bij prostituee

Toos Heemskerk-Schep. Foto RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt

Tamelijk naïef maakte ze zestien jaar geleden kennis met de wereld van prostitutie. Ze ging in gesprek met vrouwen op de wallen en herkende in hen iets van zichzelf. Hun zoektocht naar erkenning was de hare. Na jaren straatwerk nam Toos Heemskerk-Schep recent afscheid van het Scharlaken Koord. „Aan mensen die niet geliefd, gezien en erkend worden, wil ik duidelijk maken dat God hen wél ziet.”

Ze schuift haar laptop aan de kant en schenkt koffie in. Bloemen en kaarsen sieren de woonkamer van het rijtjeshuis in Katwijk waar Toos Heemskerk –open uitstraling, vriendelijke lach– met man en dochters woont. ”Pray without ceasing”, luidt een tekst aan de wand. Bid zonder ophouden.

Jarenlang was Heemskerk (47) het gezicht van het Scharlaken Koord, onderdeel van Tot Heil des Volks. Ze hoorde verhalen van honderden prostituees en sprak met hen over het Evangelie. Afgelopen maand stapte ze over naar de internationale organisatie Not for Sale (Niet te koop), die zich op de bestrijding van mensenhandel richt.

U groeide op als jongste in een gezin met acht kinderen. Wat stempelde uw jeugd?

„Ik ben geboren in Brazilië. Mijn ouders wilden daar als emigranten een boerenbedrijf opzetten. Dat mislukte. Na twee jaar zijn we teruggekeerd naar Nederland. De eerste maanden woonden we bij oma op zolder. Uiteindelijk nam mijn vader een melkzaak in Gorinchem over. Hij ging venten, mijn moeder stond in de winkel. Als kinderen hielpen we na schooltijd mee. Het was keihard werken.”

Welke plaats namen geloof en kerk in het gezinsleven in?

„We waren gereformeerd. Vooral mijn vader, die ouderling was, had liefde voor de kerk. Hij leefde zijn geloof voor, bijvoorbeeld door betrouwbaar te zijn. Ook bad hij altijd voor ons en sprak met ons over de dingen van de Heere Jezus. Mijn moeder had vooral een praktische instelling. Als er stratenmakers in de straat werkten, bracht ze hun koffie. Ze benaderde hen niet anders dan de burgemeester. Van haar heb ik het talent meegekregen om gemakkelijk contacten te leggen, ongeacht met wie.”

Op uw 23e ging u onder straatkinderen in Brazilië werken. Wat dreef u?

„Als kind wilde ik al graag iets doen voor arme mensen. Ik was ook op zoek naar erkenning, wilde nodig zijn voor anderen. Na de opleiding voor verpleegkundige in de gehandicaptenzorg besloot ik mijn geboorteplek te bezoeken en me daarna in te zetten voor de armen in Brazilië. Ik ging aan de slag in een project met straatkinderen van Jeugd met een Opdracht in Belo Horizonte, niet vanuit een geestelijke motivatie maar vanuit een sociaal hart.”

Wat deed de confrontatie met het leven van straatkinderen met u?

„Brazilië confronteerde mij er voor het eerst mee hoe slecht de wereld is. Ik kon het bijna niet bevatten dat ik kinderen onder een krant op straat zag liggen. Jongens en meisjes snoven lijm en prostitueerden zich, terwijl een belangrijke persoon zich even verderop per helikopter naar de stad liet vliegen om te gaan winkelen. Dat kon ik niet met elkaar rijmen.

In het opvangcentrum kwamen occult belaste kinderen. Ze stonden onder invloed van de macumbareligie. Wanneer er met hen werd gebeden, vielen ze op de grond en liep het speeksel uit hun mond. Het was een manifestatie van het kwaad. Niet eerder was ik me zo bewust geweest van de tegenstelling tussen licht en duisternis. Ik ging beseffen dat er twee wegen zijn en ontdekte de betekenis van het kruis van de Heere Jezus. Ook kreeg ik voor het eerst zondebesef. Ik bad of de Heere Jezus in mijn leven wilde komen door Zijn Geest. Toen kreeg ik de overtuiging dat Hij de waarheid is.”

Veranderde die ontdekking uw benadering van de straatkinderen?

„Sociaal bewogen zijn en daarnaar handelen is goed, maar uiteindelijk is het belangrijk dat er ook iets in het hart verandert. Als mensen niet geliefd, gezien en erkend worden, wil ik hun duidelijk maken dat God hen wél ziet.”

Enkele jaren later ging u in Amsterdam onder prostituees werken.

„Nadat ik een paar jaar internationale ervaring had opgedaan en onder meer een Bijbelschool had gevolgd, kwam ik in Amsterdam in contact met de manager van het Scharlaken Koord, Truus den Hartigh. Ze vroeg of ik straatwerk in de rosse buurt wilde doen onder Portugeessprekende prostituees, omdat ik hun taal kende. Wat ik daar zag –meiden die jonger waren dan ik gingen naar bed met mannen van de leeftijd van mijn vader–, vond ik walgelijk. Mijn gebed was: „Heer, ik wil dit werk doen, maar dan moet U bevestigen dat dit mijn roeping is.” De volgende ochtend las ik in mijn stille tijd Jesaja 61. In de eerste verzen gaat het over het brengen van een blijde boodschap aan mensen die gebroken zijn van hart, aan gevangenen en gebondenen. Dat sloeg in als een bom, want hen kwam ik op de wallen tegen. Voor mij was dat een bevestiging.”

Wat raakte u het meest in het contact met de vrouwen?

„Het waren meiden zoals ik. Ze waren op zoek naar erkenning, wilden ergens bij horen, geliefd zijn. Hun nood was voor een groot deel mijn nood. Voordat ik tot geloof kwam, had ik mijn bestaansrecht ook een periode in relaties met jongens gezocht. Ik had gelukkig een veilige thuisbasis met lieve ouders, maar als mijn omstandigheden chaotisch waren geweest of als ik m’n vader nooit had gezien, had ik bij wijze van spreken zomaar voor de charmes van een loverboy kunnen vallen.”

Wat kon u voor de prostituees betekenen?

„Door te luisteren kreeg ik langzaam maar zeker hun vertrouwen en hoorde ik hun problemen. Mijn diepste verlangen was dat ze in dat contact iets van de liefde van God zouden ervaren. Dat wil niet zeggen dat er dan een einde kwam aan hun nood, dat hun thuissituatie verbeterde of dat hun reële angst voor mensenhandelaren verdween. Daarvoor is de problematiek van mensenhandel te complex. Mijn taak was er te zijn, de vrouwen als mens te benaderen.”

Wat zegt u als iemand midden in de ellende roept: Waar is God?

„Ik snap het goed dat mensen die van kinds af aan zijn mishandeld en een afschuwelijk leven hebben gehad, niets van God begrijpen. Hun nood bagatelliseer ik niet en ik ga er geen geestelijk antwoord op bedenken. In de Bijbel lees ik ook over mensen die het leven niet zagen zitten. Neem Lea. Je zult maar zo afgewezen worden en voortdurend op zoek zijn naar de liefde van je man, maar die niet krijgen, want Jakob ging nooit van haar houden. Er is veel wat ik niet begrijp, maar één ding weet ik zeker: God ziet deze mensen en Hij wil ons gebruiken om hen dat te laten ervaren, doordat wij er ook praktisch voor hen zijn.”

Hoe gaat u om met gevoelens van machteloosheid?

„Vorig jaar deed ik onderzoek onder Hongaarse vrouwen. In korte tijd interviewde ik 85 prostituees. Ik hoorde zo veel ellende dat het naar binnen sloeg, een zogeheten ”secondary trauma”. In Hongarije bezocht ik het gebied waar ze vandaan kwamen. Een beerput van armoede, perversiteit en corruptie. Voor het eerst werd het me te veel. Ik wilde het bijltje erbij neergooien.

Een van de meisjes mocht van haar pooier een week naar Hongarije. Toen ze na drie dagen alweer terug moest naar Nederland en dat weigerde, sloeg hij het huis waarin ze verbleef kort en klein. Ze deed aangifte, hoewel de politie dat ontmoedigde. Uiteindelijk werd die jongen veroordeeld en heeft hij twee maanden vastgezeten. Tot mijn verbazing zat het meisje een paar weken later weer in Amsterdam achter het raam, helemaal kapot. Ze kon niet meer bij haar zus wonen. Het aanvragen van een uitkering duurde een halfjaar, dus ze had geen inkomen. Ze zei: „Ik moet toch werken?”

Haar verhaal gaf voor mij mede de doorslag om over te stappen naar Not for Sale, om het probleem bij de wortel te helpen aanpakken. Deze organisatie wil veilige opvangplekken en werkprojecten bieden voor ex-prostituees in landen zoals Hongarije. Dat is hard nodig.”

De christelijke identiteit van het Scharlaken Koord leidde meer dan eens tot politieke discussies. Hoe kijkt u daarop terug?

„Velen hebben een verkeerd beeld van evangelisatie: je gaat een ander vertellen wat hij moet doen en als hij niet luistert, krijgt hij geen hulp. Als dat zo was, zou ik er ook geen subsidie voor willen geven. Iedereen werkt vanuit een bepaald motief. Medewerkers van het Scharlaken Koord worden gedreven door Gods liefde en zijn daarin volstrekt transparant. Het verbaast me dat mensen die het hardst roepen hoe sterk en geëmancipeerd prostituees zijn, hen dan ineens zo nodig willen beschermen tegen een boodschap waarin velen al lang geloven. Heel vaak vroegen vrouwen mij uit zichzelf om met hen te bidden.”

U zag veel nood. Wat is het grootste leed waarmee u persoonlijk te maken kreeg?

Na enig nadenken: „Het ziek-zijn van mijn vader. Ik heb hem lange tijd helpen verzorgen voordat hij aan kanker is overleden. Het is verschrikkelijk om iemand van wie je veel houdt te zien lijden. Ik stond naast mijn vader, maar kon zijn pijn niet wegnemen. Dan kun je gemakkelijk zeggen: God helpt. Dat is waar, maar je draagt wel de pijn. Dit soort ervaringen rijpt je.”

Wat houdt u in het lijden op de been?

„Dat ik het plaats in het perspectief van de eeuwigheid. We zijn maar een poosje op deze wereld. In die tijd mag ik mijn van God gekregen talenten inzetten, allereerst voor m’n man en kinderen. Daarnaast heb ik ruimte in m’n hart om liefde aan anderen te geven. Het is belangrijk daarbij steeds op mezelf te blijven reflecteren. Als er verkeerde patronen ontstaan, vraagt het moed om daarmee aan de slag te gaan. Dat is nodig om gezond in het leven te blijven staan.”

Welke verkeerde patronen ontdekte u bij uzelf?

„Rond het afscheid van het Scharlaken Koord merkte ik dat ik in een rouwproces terechtkwam. Het werk onder prostituees was voor een belangrijk deel mijn identiteit gaan bepalen. Dat is niet gezond. Mijn eigenheid zit niet in de dingen die ik doe, maar in wie ik mag zijn in de Heere Jezus. Ik heb hulp gezocht bij een christencoach om dat weer duidelijk te leren zien.

David bidt in Psalm 139: Doorzoek mijn hart en zie of bij mij een heilloze weg is. Dat is een moedig gebed. De vraag is vervolgens wat je ermee doet als de Geest van God je laat ontdekken wat je diepste motieven zijn. Dat blijft een leerproces. Het is mijn verlangen daarin volwassen te worden.”

U staat midden in een wereld vol uitbuiting, misbruik en geweld. Wat betekent het om in zo’n context drie dochters op te voeden?

„Alle rottigheid die ik heb gezien, maakt me soms bang. Maar ik ben ook dankbaar voor alles wat ik mijn kinderen kan geven. Ik probeer open met hen te praten, hun veiligheid en liefde te bieden en hen op te voeden in het spoor van de Heere Jezus.”

Hoe wilt u dat uw kinderen zich hun moeder later herinneren?

Ze slaat de handen even voor het gezicht, lacht, speelt de vraag terug en zegt dan: „Ik hoop dat ze zullen zeggen: Mama hield van prostituees, ze had een groot hart voor gebroken mensen, maar wij waren voor haar het allerbelangrijkst.”

www.scharlakenkoord.nl www.notforsalecampaign.org


Levensloop Toos Heemskerk-Schep

Toos Heemskerk-Schep wordt in 1964 in Brazilië geboren, maar groeit grotendeels op in Nederland. In 1987 gaat ze terug naar Brazilië om onder straatkinderen te werken. Daarna volgt ze een Bijbelschool in Engeland en werkt ze in een jeugdhotel in Israël. In 1995 wordt ze coördinator straatwerk bij het Scharlaken Koord, dat onder prostituees in Amsterdam werkt. Afgelopen maand stapte ze over naar Not for Sale, een internationale organisatie die mensenhandel bestrijdt.

Heemskerk is getrouwd en moeder van drie dochters in de leeftijd van acht tot en met elf jaar. Het gezin woont in Katwijk en is aangesloten bij een baptistengemeente.