Strijden tegen uiterlijk vertoon

2

VEENENDAAL - De nadere reformatoren in de zeventiende eeuw hadden grote moeite met toneel. Hun bezwaren richtten zich onder meer op de heidense oorsprong, het misbruik van Gods Naam, de verkwisting van tijd en geld en de uitbeelding van zonden. Gisbertus Voetius noemde toneel „uiterlijk vertoon en veinzerij” - verkeerde bezigheden verhinderen het gebed.

Ds. C. J. Meeuse, predikant van de gereformeerde gemeente te Goes, sprak zaterdagmorgen in Veenendaal over Gisbertus Voetius’ bezwaren tegen het toneelspel. Het was de eerste lezing in de wintercursus van de Stichting Studie der Nadere Reformatie (SSNR), die dit jaar gaat over het thema: ”Hoe lief heb ik Uw wet. Ethiek en heiligmaking in de Nadere Reformatie.”

Ds. Meeuse schreef een boek over toneelspel en speelfilm, met de titel ”Schijn bedriegt”, dat binnenkort verschijnt. Daarin besteedt hij onder meer aandacht aan de verfilming van Bijbelgedeelten. Een hoofdstuk uit het boek gaat over de toneelstrijd in de zeventiende eeuw.

Volgens ds. Meeuse was de strijd tegen het toneel niet alleen een zaak van de Nadere Reformatie. Ook buiten deze beweging keerden theologen en schrijvers zich tegen toneelspel, zoals de Leidse hoogleraar Johannes Coccejus en de doopsgezinden. In Frankrijk besteedde de filosoof Blaise Pascal aandacht aan het onderwerp.

Bij de vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie was er, aldus ds. Meeuse, wel „enig onderscheid” tussen de toneelbestrijders. „Vaak streed men vooral tegen het toneelspel en de toneelspeler en niet direct tegen het toneelstuk als kunstvorm. Bij een grondiger beoordeling wordt de vorm er ook bij betrokken als een ongeschikte kunstuiting, in strijd met het negende gebod.”

De negatieve houding tegenover het toneel betekende echter geen negatieve houding tegenover alle kunst, benadrukte de predikant. Het onderwerp kwam meestal ter sprake bij de behandeling van het zevende gebod, samen met het dansen, kermisvreugde en allerlei uitspattingen. „Het ging dan met name over oneerbaarheid en het bevorderen van zonden.”

Volgens de Goese predikant accepteerden de nadere reformatoren meestal wel het voorlezen van een schooldrama. De praktijk van het toneelspel, dus het uitvoeren ervan, wezen zij echter af.