Pim Fortuyn was liever vorstin dan verlosser

Achtergronden
Fortuyn. Foto ANP ANP
2

Een verlosser, een seculiere messias, een redder in nood. Zo is Pim Fortuyn –op 6 mei is het tien jaar geleden dat hij overleed– wel getypeerd. „Hij waande zichzelf Jezus en Maria tegelijk.”

Fortuyn heeft de tijdgeest in 2001 en 2002 goed gezien, schrijft oud-VVD-leider Hans Wiegel in het deze week verschenen boek ”10 jaar zonder Pim” (Karakter Uitgevers). Prof. dr. Henri Beunders, hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, bevestigt die analyse in hetzelfde boek. „De psychische nood of de ontevredenheid met de richting waarin Nederland zich bewoog, moet toen onder vele delen van de bevolking groot zijn geweest”, constateert Beunders in het hoofdstuk dat hij schreef samen met dr. Chris Aalberts, docent politieke communicatie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

„De tijd wilde verandering, mensen snakten naar een ‘verlosser’ die het verbale manna uitdeelde met zijn boodschap”, aldus Beunders en Aalberts. Die persoon moest wel een heel ander type zijn dan de mensen die naar hem uitzagen, iemand van een andere planeet.

Dat uitzien naar een verlosser en de psychische nood houden rechtstreeks verband met de secularisatie, bevestigt Beunders desgevraagd. „De secularisatie begon met de uitspraak van de filosoof Nietzsche: „God is dood en wij hebben Hem vermoord.””

De individualisering vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw heeft veel mensen een tijd lang een groot gevoel van bevrijding opgeleverd, aldus de hoogleraar, om er daarna achter te komen dat vrijheid ook betekent dat je zelf overal voor verantwoordelijk bent. „Ja, voor de hele wereld, en dat is een zware last om te dragen. De meest verkochte medicijnen zijn nu niet voor niets ritalin en vooral antidepressiva.”

Een charismatische persoonlijkheid als Fortuyn wordt tegenwoordig zo bewonderd en verafgood omdat die volgens Beunders „nog enigszins het mystieke terugbrengt in de relatie tussen mensen en een afgod. Van de huidige horizontale denk- en leefwijze worden velen niet echt vrolijk. Vandaar de behoefte om via voetballers, filmsterren et cetera weer een verticale lijn aan te brengen, al reikt die niet verder dan de laaghangende wolken, en gaat deze er zeker niet doorheen richting hemel.”

Firmament

Fortuyn lijkt in 2001 plotseling aan het politieke firmament te zijn verschenen, maar zijn komeetachtige opkomst was lang voorbereid. Beunders: „Fortuyn had in de vijftien jaar daarvoor niet alleen vrijwel het hele midden- en klein­bedrijf in Nederland bezocht en toegesproken, maar ook ruim duizend columns geschreven en diverse boeken. Zijn kracht was dat hij vanuit de werkelijkheid van de maatschappij zijn kritiek lanceerde, terwijl de toen­malige paarse politici vanuit de kaasstolp dachten, en alleen konden spreken in termen van bestaande beleidsopties.”

In ”10 jaar zonder Pim” omschrijven Beunders en Aalberts de visie van Fortuyn als „reactionair modernisme. In de kern kwam het hierop neer: met een laptop en een latte op het dorpsplein internetten met de hele wereld, maar met Bromsnor in de buurt om de veiligheid te garanderen, en een slagboom aan de grens.”

Fortuyn wilde vooruit én terug, licht Beunders toe. Terug naar de jaren vijftig, maar ook naar de jaren zestig. „Hij zag de schaduwzijden van de zogenaamde bevrijde sixties. Diepe depressies heeft hij doorgemaakt omdat hij alle geloof tijdelijk kwijt was. Daarom ook keerde hij zich tegen de materialistische paarse kabinetten, die volgens hem niet genoeg vertroosting konden bieden. Er was zijns inziens opnieuw een bezielend verband nodig, inclusief een religieus of pseudo-religieus christelijk verband.”

Fortuyn, stelt de Rotterdamse wetenschapper, „waande zichzelf Jezus en Maria tegelijk, ervan overtuigd zijnde dat de ‘verweesde samenleving’ geestelijk een vader en moeder nodig heeft.”

Tegelijkertijd was zijn strijd tegen de islamisering van Nederland volgens Beunders „gestoeld op zijn verlangen de vrijheden van de jaren zestig –en niet alleen de door hem zo geliefde seksuele vrijheden als homo– te handhaven.”

Mythe

Voormalig politiek verslag­gever Wouke van Scherrenburg stelt in ”10 jaar zonder Pim” dat Fortuyn altijd een mythe is gebleven. „Hij is zo vroeg overleden; hij heeft nooit kunnen tegenvallen, en zo blijf je lichtelijk heilig.”

Zijn gedachtegoed bleef echter springlevend, en daarmee zijn anderen, met wisselend succes, aan de slag gegaan. Groot is volgens Beunders de invloed van Fortuyn geweest op de omslag in het denken over de multiculturele samenleving en het vreemdelingenbeleid: de instroom van asielzoekers is ingeperkt, het inburgerings­beleid en de eisen rond gezinshereniging zijn strenger geworden. „Op dat punt heeft Fortuyn geheel zijn zin gekregen.”

Zijn ideeën over uitkerings­gerechtigden (zo veel mogelijk aan het werk helpen) en de verzorgingsstaat (meer strengheid en ondernemerszin) zijn goeddeels in de praktijk gebracht.

Het veiligheidsbeleid is daarnaast aangescherpt: strengere straffen, de invoering van een nationale politie, meer repressie en verboden in de openbare ruimte. Maar juist op dit punt dacht Fortuyn volgens Beunders „genuanceerder dan hem na 2002 in de schoenen is geschoven.” Hij wilde bijvoorbeeld de politieorganisatie veranderen in een mix van klein- en grootschaligheid. Klein voor de buurt en groot voor de regio-overstijgende criminaliteit. Het kabinet-Rutte heeft echter ingezet op omvorming van de 25 regiokorpsen naar een nationale politie.

Grote delen van zijn politiek program –zoals ontvouwd in ”De puinhopen van acht jaar paars”– zijn volgens Beunders en Aalberts echter niet ver­wezenlijkt. Er is bijvoorbeeld niet meer directe democratie gekomen. „Wel is het zo dat overheid en politiek zich sinds 2002 veel bewuster zijn geworden van de noodzaak hun legitimiteit actief te bevorderen door de burgers meer te vragen wat zij nou eigenlijk vinden of willen”, voegen de Rotterdamse wetenschappers daaraan toe.

In de zorg is evenmin gebeurd wat Fortuyn wilde, namelijk de totale uitgaven een aantal jaren constant houden. „De kosten voor de gezondheidszorg stijgen alsmaar door.” Daar staat tegen­over dat zijn pleidooi om de zorgsector te dwingen efficiënter en klantgerichter te werken, in de praktijk is gebracht.

In het onderwijs bepleitte Fortuyn terugkeer naar de menselijke maat: weg met de leer­fabrieken. Het is er nog niet van gekomen. De privatisering van de nutsbedrijven, waar Fortuyn fervent tegenstander van was, is wel gerealiseerd. En in plaats van een perfect openbaar­vervoersnet te maken, hebben kabinetten vooral geïnvesteerd in meer asfalt.

Vredesmissies bleef het leger –tegen de wens van Fortuyn in– volop uitvoeren, maar de door hem bepleite algemene dienstplicht voor alle jongeren is er niet gekomen.

Kousenvoeten

Ook als Fortuyn zich nooit op het politieke toneel had begeven, zouden sommige maat­regelen die hij voorstond „zeker” door bestaande politieke partijen zijn uitgevoerd, meent Beunders. „PvdA-staatssecretaris Cohen van Justitie loodste tijdens het tweede paarse kabinet een nieuwe Vreemdelingen­wet door de Kamer, maar hij deed dit op kousenvoeten om de linkervleugel van zijn partij en GroenLinks niet tegen de haren in te strijken. De omslag was dus al gaande, al kon Fortuyn hierdoor doen alsof er niets gebeurd was en hij de eerste was die durfde te zeggen waar het op stond.”

Als Fortuyn als premier zijn eigen ideeën had kunnen uitvoeren, was dat volgens directeur Paul Schnabel van het Sociaal en Cultuur Plan­bureau waarschijnlijk niet goed afgelopen. In ”10 jaar zonder Pim” stelt hij: „Fortuyn was notoir ongeschikt om minister-president te worden. Die moet ervoor zorgen dat de boel bij elkaar blijft. De rol van proces­begeleider zou Fortuyn niet gelegen hebben. Waarschijnlijk was hij al snel teleurgesteld en boos naar Italië vertrokken.”

Geen verlosser, maar een vorstin had Fortuyn moeten zijn. Schnabel: „Geliefd worden is Fortuyns grootste drijfveer geweest. Hij wilde uiteindelijk niet minister-president worden, maar koningin. En dat bedoel ik serieuzer dan het lijkt.”

Dit is het eerste deel in een tweeluik over Fortuyn.


Christenleiders kritisch over Fortuyn

Stevige kritiek kreeg Fortuyn bij leven en ook na zijn dood te verduren in de kerkelijke pers en van christelijke opinie­leiders. Vijf mensen (van wie een hervormd en een viertal gereformeerd) beschuldigden hem in februari 2002 in een open brief van smaad en laster omdat hij had gezegd: „Gereformeerden liegen altijd.” Fortuyn had dat later genuanceerd, maar de briefschrijvers stelden evenwel: „Wij voelen niets voor een vrijheid van meningsuiting die gaat betekenen dat politici zonder blikken of blozen een heel volksdeel kunnen beledigen, om even later te verklaren dat het allemaal niet zo is bedoeld.”

De christelijke gereformeerde predikant ds. L. W. van der Meij constateerde na Fortuyns dood dat hij „slacht­offer is geworden van zijn eigen moderne naïviteit en speelsheid, die mensen laat geloven dat woorden maar woorden zijn. Dat het best leuk is om mensen in hun hemd te zetten.” Maar, stelde ds. Van der Meij, „woorden maken krachten los. En niet alleen bij overspannen milieuactivisten.”

Naast Fortuyns stijl van zeggen wat je denkt, vielen ook zijn ideeën in slechte aarde. „Een politiek die niet ideologisch is ingebed, is slechts een kort leven beschoren”, tekende ds. W. Silfhout begin 2002 op in De Saambinder, het weekblad van de Gereformeerde Gemeenten. „Wij belijden dat de overheid zich moet laten leiden door het onfeilbare Woord van God. Van Fortuyn hebben we in dat opzicht niets goeds te verwachten.”

Van hem moet, aldus de predikant, eerder worden verwacht dat de door paars ingezette ontwikkelingen op medisch-ethisch gebied en de verruiming van de Winkeltijdenwet „worden doorgezet dan afgeremd.” En leefbaarder zou Nederland er onder Fortuyn niet op worden, zeker niet als dat wordt opgevat als een leven dat zich laat gezeggen door Gods heilzame inzettingen. „Fortuyn is geen verbetering. Laten we onszelf niet misleiden.”

De christelijke gereformeerde hoogleraar prof. dr. J. W. Maris noemde het gedachte­goed van Fortuyn „afschuwelijk” en „volstrekt op het egoïsme” afgestemd. „Fortuyn is een aardige man”, viel ds. Van der Meij hem bij, „maar de vraag is of hij ook weet wat liefde is. Hij houdt veel van Nederland, vooral van het vrijgevochten deel. Hoeveel ruimte blijft er voor de liefde als deze geest zijn duizenden verslaat? Misschien wil de meerderheid van de bevolking wel zo hard genieten dat ze niet langer de lasten wil dragen. De liefde van velen zal verkouden.”

Fortuyn richt zich vooral op dat deel van de samenleving dat het in maatschappelijk opzicht heeft gemaakt, constateerde toen­malig hoofdredacteur van deze krant dr. C. S. L. Janse. „Voor mensen die niet kunnen meekomen in de strijd om het bestaan, heeft hij weinig begrip. Niet zonder reden is zijn denken betiteld als een vorm van sociaal-darwinisme.”

Zijn als „seculier-messiaans” getypeerde politieke beweging was volgens Janse „meer demagogie dan democratie.” Fortuyns openlijk geëtaleerde homoseksuele levenswandel en zijn „onvoorstelbare arrogantie” deden Janses weerzin tegen de politicus sterk toe­nemen.

Hij typeerde Fortuyn als een „representant van de moderniteit”, wiens oordeel over de bevindelijk gereformeerden waarschijnlijk niet anders zou zijn dan over de volgens hem volstrekt achterlijke islamieten.

Ds. A. Moerkerken, predikant binnen de Gereformeerde Gemeenten, toonde zich er in De Saambinder van 9 mei 2002 van overtuigd dat „deze man, als hij de macht had, het eerst af zou willen rekenen met een partij als de SGP.”

Na de moord op Fortuyn voorspelde prof. Maris dat hij „een symboolfunctie” zou krijgen. „Dat heeft te maken met de secularisatie. Mensen hebben zich geweldig met hem geïdentificeerd.” De verafgoding van Fortuyn „laat op zo’n schrijnende manier de ontmaskering van het lege leven zien dat we in de westerse samenleving hebben gekregen.”

Algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond drs. P. J. Vergunst schreef in De Waarheidsvriend, het weekblad van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk, „in deze dagen meer dan ooit te bidden om een versterking van het christelijk getuigenis in de politiek. Opdat in de vergaderzalen van het land mag doorklinken waar de remedie ligt.”