Oudvaders wilden moslims bereiken

Dr. R. Bisschop. Foto RD, Henk Visscher Henk Visscher

GOUDA – Een gereformeerde theocraat wijst het verbranden van de Koran radicaal af. Dat vindt historicus dr. R. Bisschop.

De directeur van de locatie Revius van het Wartburg College sprak zaterdag tijdens het jaarlijkse congres van de Stichting Studie Nadere Reformatie (SSNR), dat als thema had: ”Liever Paaps dan Turks?”.

Volgens Bisschop verbrandde de Spaanse inquisitie in vroeger tijden wel Korans, maar hij vindt dat niet de juiste manier om ongelovigen te bestrijden. Het invoeren van een zogenaamde kopvoddentaks is ook geen goed idee. Het getuigt niet van respectvol omgaan met medemensen, aldus Bisschop.

Volgens hem waren gereformeerde theocraten vroeger niet tolerant als het de overheid en de kerk betrof, maar wel als het ging om de maatschappij. Zo waren twee van de vijf staalmeesters van het beroemde schilderij van Rembrandt rooms-katholiek, terwijl er één doopsgezind was. Staalmeesters werden aangesteld door de stadsoverheid.

De mannen van de Nadere Reformatie verzetten zich fel tegen het rooms-katholicisme en de islam, was de strekking van de andere twee lezingen. Dr. C. A. de Niet, vertaler van de Institutie van Calvijn, sprak over Gisbertus Voetius. Hij stelde dat er nog steeds rooms-katholieken zijn die bij het horen van de naam Voetius boos reageren. Toch was Voetius geen papenhater, maar iemand die op wetenschappelijk niveau argumenten aandroeg tegen het rooms-katholicisme, een „zelfstandig en bovennationaal denker.”

Bij de islam is volgens Voetius het rechte geloof niet te vinden. De mening van sommigen om moslims als broeders te erkennen, vond hij te dwaas voor woorden, aldus De Niet.

Behalve Voetius publiceerden ook Johannes Hoornbeeck en Simon Oomius over de islam. Volgens de vrijgemaakte emeritus predikant dr. L. J. Joosse hadden de schrijvers een duidelijke visie. „Deze drie theologen zouden zich vandaag bepaald onprettig gevoeld hebben bij de aanwezigheid van grote aantallen moslims in onze gewesten. Waarschijnlijk zouden ze daarin Gods straffende hand tegen het christendom hebben gezien. Ongetwijfeld hadden ze aan moslims unaniem een forse eis van integratie gesteld. Al waren ze in politiek opzicht liever Turks dan paaps, theologisch zouden ze een sterke afkeer gehad hebben van nog meer moskeeën in Europa.”

Het doel van de geschriften van Voetius en Hoornbeeck was niet alleen een verbale bestrijding van de islam maar ook een instrument tot bekering. „Ze probeerden met woorden door te dringen tot de moslimwereld en zo moslims te bereiken. Daarom schreven ze genuanceerd en benoemden ze ook de overeenkomsten. Hun bijdrage was missionair.”

Tijdens de forumdiscussie erkende dr. Joosse dat de geschriften 
nogal theoretisch waren. Noch Hoornbeeck noch Voetius had persoonlijk contact met moslims. Voor deze tijd vindt hij het belangrijk de contacten met moslims wel aan te gaan en bij hen thuis over de vloer te komen.