Boekrecensie

Titel: Laat ons het wagen met de hoogste worp. Jan Wit (1914-1980) Liter nr. 9
Auteur: Tjerk de Reus en Dirk Zwart

Uitgeverij: Boekencentrum
Zoetermeer, 1999
ISBN 90 239 9018 8
Pagina's: 140
Prijs: ƒ 35,-

Recensie door C. Bregman - 8 december 1999

Nummer over Liedboek-dichter mist theologische plaatsbepaling

Tekst en muziek
van Jan Wit

Het kon niet uitblijven: na de Bloknoot-themanummers over Ad den Besten (”Dader van het woord”) en K. Heeroma (”Ik heb mijzelf in woorden weggegeven”) moest er een themanummer komen over nóg een Liedboek-dichter, maar dan nu in Liter, het blad waarin Bloknoot –samen met Woordwerk– roemvol is opgegaan. De traditie waarmee Bloknoot zich een eigen plaats heeft verworven op het christelijk-literaire erf, wordt hiermee in Liter op een prima wijze voortgezet. Het gaat ditmaal over Jan Wit.

De redacteuren, de 'oude' en vertrouwde heren Tjerk de Reus en Dirk Zwart, verantwoorden zich voor hun keuze door te stellen dat het hun aantrekkelijk, interessant en zinvol leek „eens die Liedboek-dichter voor het voetlicht te halen, over wie nog betrekkelijk weinig geschreven is, terwijl hij in de vriendenkring toch een belangrijke en zeer gewaardeerde plaats innam.” Het eerste in de geciteerde uitspraak is wel enigszins aanvechtbaar; het laatste wordt door de bijdragen van de nog overgebleven vrienden in dit themanummer op een hartverwarmende manier bewaarheid.

Pietersberg
Het speciale nummer is opgezet volgens de inmiddels beproefde formule. Eerst geven enkele oude vrienden –Ad den Besten, C. M. de Vries (Ted Logeman) en Joop (prof. dr. J. P.) Boendermaker– hun visie op de in 1980 voor hen te vroeg overleden vriend en collega Jan Wit. De nieuwswaarde van deze stukken is niet zo groot, maar ik zou deze uiteraard subjectief gekleurde bijdragen toch niet graag missen; ze laten namelijk zien welke centrale en geheel eigen plaats Jan Wit in hun kring van vrienden en vertrouwden innam.

Het is ook altijd weer plezierig om te lezen hoe de dichters van het landvolk, zoals zij zich graag noemden als ze op de Pietersberg in Oosterbeek aanwezig waren, met elkaar omgingen, met elkaar de psalmen en later de liederen voor het Liedboek dichtten, en zich soms ook ondeugende literaire grappen veroorloofden. Ad den Besten is altijd goed voor zo'n verhaal. Maar nog nooit is mij zo duidelijk als nu uit zijn bijdrage gebleken met hoeveel heimwee de vrienden ná die Pietersberg-periode terugkeken op de tijd die voor verschillenden van hen de gelukkigste periode uit hun leven heeft betekend.

Dit laatste geldt ook voor Jan Wit. De blinde dichter bloeide op als hij met gelijkgezinde mensen kon omgaan die hem begrepen en waardeerden. Zijn literaire oeuvre is dan ook juist in deze jaren vijftig en zestig voor het grootste deel totstandgekomen. Zijn geestelijke liederen zijn in die jaren ontstaan, en ook zijn vrije poëzie kwam toen in een viertal bundels uit.

Leven
Als men meer wil weten van het leven van de markante persoonlijkheid die Jan Wit was, doet men er verstandig aan de ”Schets van leven en werk” van Tjerk de Reus en Dirk Zwart te lezen. Dit is een goed overzicht, waarmee men verder kan. Er zijn natuurlijk leemten en kennelijk bewust aangebrachte witte plekken zoals rond het eerste huwelijk van de dichter. Ik wil vooral wijzen op de ondergeschikte plaats die het theologisch denken van Jan Wit in deze schets heeft gekregen. Beter gezegd: er wordt eigenlijk geen woord over gezegd. Dat vind ik echt jammer. Ik had wel eens een preek of althans een fragment daarvan willen lezen van deze 20e-eeuwse dominee-dichter.

Ook een theologische plaatsbepaling had niet misstaan. Men kan wel vermoeden dat Jan Wit theologisch gezien aansluiting heeft gezocht bij de taaltheologie waarvoor Heeroma een proeve had ontworpen, maar echt duidelijk wordt dit niet. Is er een theologie achter de psalmberijming en het Liedboek, en zo ja, hoe moet die worden omschreven? Juist omdat Jan Wit zo nauw bij de totstandkoming van psalmberijming en Liedboek betrokken was, maar ook omdat er kennelijk tal van lijnen liepen van hem naar bijvoorbeeld de IKOR/IKON, had ik daar graag meer over gehoord. Het zou ook interessant geweest zijn iets meer te horen over het theologisch eigene van de Waalse gemeenten waarvan Jan Wit er vele jaren één diende, namelijk de gemeente van Nijmegen.

'Held'
Ten slotte mis ik in de ”Schets” iets wat zich heel moeilijk laat benoemen. Ik heb in deze bijdrage gezocht naar een plaats waar ik Jan Wit eens recht in het hart kon kijken, desnoods via de schreeuw van de aanvechting en de twijfel van het ongelovige hart. Daardoor krijg ik met hem niet echt innerlijk contact. Dat is me naar mijn mening wel bij Heeroma/Jacobse en Ad den Besten gelukt. Liet Jan Wit dit innerlijk contact niet toe? Heeft dat te maken met zijn blindheid? Hij was toch méér dan een cultuurchristen?

Er is nog iets wat opvalt, en dat is de wijze waarop de beide redacteuren hun 'held' door dik en dun volgen. Met name wordt dat wat vervelend wanneer zij zo lang mogelijk met Wit meegaan als hij op een zondagavond toch wel heel ongewone, om niet te zeggen schokkende dingen voor televisiekijkend Nederland aan de orde stelt. Als prof. Van Itterzon daar moeilijke vragen over stelt, proef je dat de sympathie van de redacteuren bij Jan Wit ligt en niet bij de kritische theologische professor. Het is wel niet zo wijs wat Jan Wit deed, maar toch... Dat is zo ongeveer de teneur. Het spijt me, maar daar kan ik niet in meegaan. Ik vind dat hier ook niet de juiste objectieve toon wordt aangeslagen die in een themanummer als dit een vereiste is.

Liederen
Maar genoeg kritiek. Er is heel veel in dit themanummer dat de moeite van het lezen waard is. Ik denk onder andere aan de bijdragen van Klaas Holwerda over Jan Wit en het kerklied, en van Tjerk de Reus over de vrije poëzie van Jan Wit. Daarnaast zijn er verschillende korte bijdragen over enkele van Wits liederen uit het Liedboek die bijzonder treffend zijn, onder andere van Ria Borkent en A. F. Troost.

De wetenschappelijke waarde van het themanummer wordt nog eens onderstreept door een indrukwekkende bibliografie van de dichter. En dan als klap op de vuurpijl: een cd met 70 minuten speeltijd waarop Jan Wit als Liedboek-dichter, dichter van vrije poëzie, liedjesschrijver en componist te horen is. Bij het afluisteren hiervan kwam voor mij het moment dat het wezenlijke contact met Jan Wit alsnog totstandkwam. Dat was toen hij Gezang 480 voorlas. De laatste strofe daarvan luidt:

O God, wij bouwen als ontheemden,
wij wonen en wij blijven vreemden,
bestemd voor hoger burgerrecht.
Wil ons, o Koning der getijden,
een woning in de stad bereiden
waar Gij het fundament van legt.