Orgel Bavo Haarlem halve eeuw geleden gerestaureerd

Het orgel in de St.-Bavo in Haarlem. Foto RD RD

HAARLEM – Geen orgelrestauratie heeft destijds zoveel stof doen opwaaien als die van het Müllerorgel in de Bavokerk van Haarlem. Op 3 juli 1961 werd het orgel officieel weer in gebruik genomen. Dinsdagavond 11 oktober wordt, voorafgaand aan een concert door stadorganist Jos van der Kooy en kerkorganist Anton Pauw, stilgestaan bij deze restauratie.

Dat de Deense firma Marcussen in 1959 de opdracht voor die restauratie kreeg, was tegen het zere been van een aantal Nederlandse orgeldeskundigen. De Zaanse firma Flentrop kon het toch net zo goed? Toch werd het Marcussen. Dat deze firma de opdracht voor de restauratie kreeg, hing in de lucht. Als gevolg van de overstromingsramp van 1953 in het zuidwesten van Nederland gingen tal van orgels verloren. Voor het rampgebied moesten nieuwe orgels worden gebouwd. De kerkelijke gemeenten kregen daarvoor financiële steun van het Rampenfonds. Mede op initiatief van de voorzitter van de orgelcommissie van de Nederlandse Hervormde Kerk, tevens vicevoorzitter van het Rampenfonds, mr. W. F. Schokking, viel het oog op buitenlandse orgelbouwers.

Dr. H. L. Oussoren, tevens lid van de hervormde orgelcommissie, had een broer die werkzaam was bij Marcussen in Aabenraa. Dat Marcussen in die tijd een van de beste orgelbouwers was, werd in 1953 beproefd door de bouw van het Sweelinckorgel voor de NCRV-studio. In januari 1953 had de directeur van Marcussen, Sybrand Zachariassen, een referaat gehouden voor de Nederlandse Organistenvereniging waarin hij een pleidooi voerde voor nieuwbouw van orgels, geënt op de historische bouwwijze van die instrumenten. Later kreeg dat de naam ”neobarok”. Het Sweelinckorgel, dat zich thans bevindt in de Nicolaïkerk te Utrecht, was het eerste voorbeeld daarvan in Nederland.

Het nieuwe orgel dat Marcussen in 1956 bouwde voor de Nicolaïkerk in Utrecht diende als klap op de vuurpijl. „Hier staat het orgel van de Deen,/ zo scherp als dit is er niet een”, dichtte Nicolaïorganist Lambert Erné.

Dat kwam destijds goed uit. Een jaar eerder schreef orgeldeskundige Cor Edskes in Het Orgel, het blad van de Nederlandse Organistenvereniging (1955, pag. 88), dat het klankbeeld van het Müllerorgel van de Bavo in Haarlem „gezien vanuit het standpunt wat men tegenwoordig huldigt in de orgelbouw” beslist onbevredigend is te noemen. Hij hekelde het gebrek aan hoge frequenties, „waardoor het instrument log en ondoorzichtig klinkt.” „Gelukkig heeft de gemeente Haarlem dit ook begrepen”, schreef hij. Inderdaad had de gemeente een commissie benoemd die de restauratie moest voorbereiden. Deze commissie, waarin ook dr. H. L. Oussoren zitting had, adviseerde de restauratie te laten uitvoeren door de Deense firma Marcussen.

Toen dat bekend werd, was de beer los. Het hoofdbestuur van de Nederlandse Organistenvereniging stuurde een brandbrief naar het college van burgemeester en wethouders in Haarlem waarin het klemmend adviseerde niet met Marcussen in zee te gaan. Albert de Klerk roemde evenwel de vakbekwaamheid van Marcussen, maar betreurde het dat niet een Hollandse firma was aanbevolen. Klaas Bolt meende dat de kwaliteiten van Marcussen ver uitgingen boven die van enige Nederlandse orgelbouwer. Piet Kee merkte heel fijntjes op dat drie leden van de Haarlemse adviescommissie lid waren van de Nederlandse Organistenvereniging, „die samenwerking met de restaurateur van de orgels in Alkmaar en Zwolle uitsluit (Flentrop).”

Voor Oussoren bleef er maar één restaurateur over: Marcussen. Over die genoemde restauraties (Alkmaar in 1949, Zwolle in 1956) was Cor Edskes allerminst tevreden. „Onze orgelmakers zullen zich meer moeten gaan oriënteren, om niet alleen de klank te conserveren maar ook die, waar nodig is, voor zover mogelijk weer te realiseren (Het Orgel 1957, pag. 41).

Op de persconferentie voorafgaand aan het Achtste Internationaal Orgel Improvisatie Concours 1958, werd bekendgemaakt dat Marcussen eind 1958 met de restauratie zou beginnen en dat deze in 1961 zou worden beëindigd. Aldus geschiedde. Feike Asma, die het orgel voor de restauratie regelmatig bespeelde, zou nadien (toen hij na een boycot weer werd toegelaten om te concerteren) opmerken dat het orgel veel „ieler” klonk dan voor de restauratie. Inderdaad was de klank van het orgel naar een meer barok karakter gereconstrueerd en de mechaniek naar Marcussentechniek gemodelleerd.

In 1987 startte de firma Flentrop onder advies van Klaas Bolt een herintonatie van een aantal stemmen, omdat het klankbeeld uit 1961 niet helemaal aansloot bij het oorspronkelijke Müllerkarakter. Ook werd gewerkt aan het regeerwerk. Met tussenpozen voerde Flentrop werkzaamheden uit in de jaren 1988, 1993, 1994, 1995 en 2000.

De restauratie in 1961 bracht ook de oorspronkelijke kleuren van de orgelkas weer terug. Volgens schilder Hans Schubert uit Karlstadt am Main was dat de leverkleur. Toen in 1986 de nieuw aangebrachte verflaag begon af te bladderen, kwam op enkele plaatsen een roodbruine mahoniehout-imitatie tevoorschijn. Volgens schilder De Jongh uit Waardenburg moest dat de oorspronkelijke kleur zijn. Vervolgens werd de orgelkas in die kleur overgeschilderd. Deze doet denken aan die van het orgel in Zaltbommel.

Het nieuwe aanzicht van het orgel zorgde voor de nodige opschudding en protesten van de kant van de Rijksadviseur voor Orgels en de organisten Klaas Bolt en Piet Kee. De toenmalige rijksorgeladviseur sprak zelfs van „volstrekte anachronistische kitsch wat er momenteel in de Bavokerk staat.” Orgeladviseur Hans van Nieuwkoop wijdde er zelfs een stelling aan in zijn proefschrift: „De in 1986 op de kast van het Christian Müller-orgel aangebrachte kleurstelling correspondeert niet met de originele” (stelling 5). Een enkeling drong toen aan op een nieuw onderzoek naar de kleurstelling van de orgelkas. Het gros van de Nederlandse orgelwereld reageerde uiterst bedaard.

De Rijksdienst voor de Monumentenzorg legde in 1987 verantwoording af van het overschilderen van de orgelkas en stelde dat de in 1986 gemaakte keuze minstens even legitiem was als die in 1960. Wel gaf men toe dat de mahoniekleur enigszins donkerder was uitgevallen dan de oorspronkelijke monsters lieten zien. Het college van B en W van Haarlem bevestigde nog eens de historische juistheid van de kleur waarin het Müllerorgel thans was geschilderd. De opponenten hielden echter vol. Op 13 september 1988 zou het 250 jaar geleden zijn dat het Müllerorgel in gebruik werd genomen. Een uitgelezen kans om het onderzoek naar de oorspronkelijke kleur nog eens grondig opnieuw te doen. Voorzover bekend is het daar tot nu toe niet van gekomen.

Het concert door Anton Pauw en Jos van der Kooy op dinsdag 11 oktober begint om 20.15 uur. Om 19.45 wordt stilgestaan bij de restauratie van 1961 door middel van een interview met Piet Kee, oud-stadsorganist van Haarlem.