School kan burgerschap prima zelf invullen

„Zo kan het gebeuren dat leraren de Holocaust zelfs niet eens ter sprake durven te brengen. Bij zulke signalen moet de inspectie optreden.” Foto: Minister Jet Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tijdens een les aan scholieren van groep 8 over het Achterhuis. beeld ANP Bas Czerwinski

De staatssecretaris wil burgerschap in het onderwijs verder aankleden. Maar dat kan een school prima zelf, betoogt Roelof Bisschop.

Hoe dichter de overheid bij het hart van de onderwijsvrijheid komt, des te voorzichtiger moet ze zijn. Die voorzichtigheid is zeker nodig als het gaat om burgerschap. Het thema raakt al snel de overtuiging van burgers. Nieuwe eisen aan scholen zijn daarom niet wenselijk en onnodig.

Een gezonde samenleving staat of valt met de manier waarop burgers zich gedragen. Welke normen en waarden hebben we? Hoe gaan we met elkaar om en hoe dragen we een steentje bij aan onze samenleving? In de Nederlandse geschiedenis spelen waarden als vrijheid, gelijkwaardigheid en verantwoordelijkheid een hoofdrol. We zijn in die geschiedenis ook tot het inzicht gekomen dat de overtuiging van burgers niet met geweld of intimidatie moet worden bestreden. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar de praktijk in asielzoekerscentra en de aanslagen in Europa maken pijnlijk duidelijk dat dat niet zo is. Het belang van actief burgerschap staat daarom buiten kijf.

Status quo

In Nederland moeten ook scholen aan burgerschap doen. De wet schrijft voor dat het onderwijs moet uitgaan van een pluriforme samenleving. Dat wil zeggen: actief burgerschap en sociale integratie en kennis van verschillende achtergronden en culturen. Die open formulering laat natuurlijk erg veel ruimte voor verschillende uitwerkingen. Dat was in 2006, toen de Wet actief burgerschap en sociale integratie in werking trad, ook de bedoeling.

De inspectie heeft recent onderzoek gedaan naar burgerschap in het onderwijs. Uit het onderzoek blijkt dat vrijwel alle scholen aandacht besteden aan de verschillende aspecten van burgerschap. Bovendien is de uitwerking erg divers. Scholen hebben dus precies gedaan wat de wetgever beoogt: ze hebben de norm gehaald en de mogelijkheden benut. Des te gekker is het als de staatssecretaris zegt dat de scholen maar magertjes aan de wet voldoen. Nóg onbegrijpelijker is dat de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs volgens de bewindsman onvoldoende zou zijn.

Vaag voorstel

De staatssecretaris wil burgerschap in het onderwijs verder aankleden. Dat helpt zowel de scholen als het belang van burgerschap niet de goede kant op. In bewogen woorden schrijft de staatssecretaris dat hij scholen niet alleen wil laten staan. Dat klinkt alsof scholen zielig zijn en op eigen houtje niet echt vooruitkomen.

Scholen en hun vertegenwoordigers zien dat duidelijk anders. Zij hebben geen behoefte aan extra hulp. Ze weten namelijk precies hoe het gaat in Den Haag: zo’n samenwerking is niet vrijblijvend. Er worden gewoon nieuwe maatregelen opgelegd.

De ambtelijke teksten van het ministerie van Onderwijs ademen een geest van maakbaarheid. Scholen zouden te weinig doelgericht werken. Er zou te weinig zicht zijn op resultaten. Als het aan de staatssecretaris ligt, ligt de oplossing in de inzet van „bewezen effectieve methoden en instrumenten.”

Zijn scholen echt te dom om zelf grenzen te benoemen, fatsoen ter sprake te brengen en methoden te kiezen? Als onderwijsmensen dat in de schoolwereld al niet kunnen, wat werkt er dan wel? En in welke scores moeten resultaten voor burgerschap dan worden uitgedrukt? De SGP verwacht juist bij een thema als burgerschap meer van mensen dan van regels en systemen.

Praktische aanpak

Een lange, theoretische discussie over de definitie van burgerschap is zonde van de tijd en energie. De kans bestaat dat we met een nieuwe wet na nog tien jaar niet veel verder zijn. Papier is geduldig – dat weten ze in het onderwijs als geen ander. Bovendien is het een vervelend risico dat nieuwe formuleringen de vrijheid van scholen in de toekomst, mogelijk onbedoeld, beknellen.

Laten we scholen zo veel mogelijk ruimte bieden om hun energie direct in goed onderwijs te stoppen. Zorg ervoor dat leerlingen voldoende kennis hebben van de rechtsstaat en het functioneren van de democratie. Zorg voor een degelijk programma staatsinrichting. En laat leerlingen als praktische opdracht burgerschap eens rondlopen in het parlement. Al jaren verzorgt de SGP rondleidingen voor schoolklassen in Den Haag.

De SGP heeft geen behoefte aan een nieuwe wet, maar vooral aan handhaving van de bestaande wet. Het schort namelijk nogal eens aan een goede naleving van wetten. In de kerndoelen staat bijvoorbeeld dat het onderwijs aandacht moet besteden aan de Holocaust. Toch komt het voor dat zo’n les opzettelijk verstoord wordt door leerlingen met een islamitische achtergrond. Zo kan het gebeuren dat leraren het onderwerp zelfs niet eens ter sprake durven te brengen. Dat kan echt niet. Bij zulke signalen moet de inspectie optreden.

En als scholen daarbij ondersteuning willen, moet de overheid die bieden. Bijvoorbeeld met hulp van het Centrum Informatie en Documentatie Israel (CIDI). Op zulke punten heeft het onderwijs geen behoefte aan tolerantie.

De auteur is Tweede Kamerlid voor de SGP.