Les van Rutte II: minderheidskabinet loont

De voorzitter van de Tweede Kamer, Khadija Arib, ontving donderdag in de Rooksalon de gekozen lijsttrekkers voor een gesprek over de inrichting van de kabinetsformatie. beeld ANP, Jerry Lampen

Om te voorkomen dat kiezers met de volgende verkiezingen naar de flanken trekken, moeten coalitiepartijen waken voor een dichtgetimmerd regeerakkoord, schrijft Tom van der Meer. Een belangrijke les van Rutte II: een minderheidscoalitie is zo gek nog niet.

De belangrijkste uitkomst van de verkiezingen van woensdag is de grote politieke nivellering. De tijden dat CDA, PvdA en VVD samen bijna 90 procent van de Kamerzetels scoorden, liggen definitief achter ons. De drie klassieke gevestigde partijen komen samen –zowel in de Eerste als in de Tweede Kamer– niet eens meer tot een politieke meerderheid. De decennialange trend naar een partijstelsel met zes of zeven middelgrote partijen is voor iedereen aan het licht gekomen.

Terecht wordt dit in de meeste politieke commentaren na woensdag niet opgevat als een probleem. De kiezer heeft zich opnieuw gedragen zoals je wilt in een democratie. Hij of zij koos tussen alternatieven die op elkaar lijken, en bleef daarbij trouw aan de eigen voorkeuren. De hoge opkomst (van meer dan 80 procent) bewijst dat Nederlanders ook van harte bereid zijn te stemmen zonder duidelijke tweestrijd om het Torentje, zoals in 1998 (Kok–Bolkestein), 2003 en 2006 (Balkenende–Bos), en 2012 (Rutte–Samsom). De veelgehoorde suggestie van een crisis van de Nederlandse democratie lijkt aardig verstomd.

Meerderheidscoalities

Maar hoewel die grote nivellering vanuit democratisch oogpunt prima is –er valt immers wat te kiezen– stelt ze de politieke partijen die ons land moeten gaan besturen voor een nieuwe uitdaging. De komende weken zullen we dat vooral terugzien in de formatie. Het probleem is niet eens het aantal partijen dat nodig is voor een meerderheidscoalitie. Dat zijn er minstens vier. We zijn er tegenwoordig niet meer aan gewend, maar in het verleden kwamen dergelijke meerderheidscoalities wel vaker voor. Het probleem is eerder dat die meerderheidscoalitie een samenwerking vraagt tussen partijen die inhoudelijk en qua achterban ver uit elkaar staan.

Momenteel passeren twee opties met grote regelmaat de revue: een coalitie VVD/CDA/D66/CU en een coalitie VVD/CDA/D66/GroenLinks. De eerste vergt samenwerking tussen D66 en ChristenUnie. Dit zal niet eenvoudig zijn omdat de ChristenUnie het breed uitgemeten D66-beleidsvoorstel van voltooid leven hoogstwaarschijnlijk niet zal accepteren, ook niet als vrij onderwerp dat niet in een regeerakkoord wordt afgehandeld.

De tweede optie vergt samenwerking van GroenLinks met CDA en VVD, die op sociaal-economisch vlak moeilijk zal zijn. Een dergelijke brede middencoalitie maakt partijen kwetsbaar: GroenLinks moet dan immers compromissen sluiten met een verder rechtse coalitie, waarbij het kiezers aan linkse rivalen (SP, PvdA) kan kwijtraken. Vice versa zouden VVD en CDA zich bij een coalitie met GroenLinks kwetsbaar opstellen ten opzichte van de PVV, met name na hun cultureel en economisch conservatieve koers in de verkiezingscampagne.

Een fundamenteler risico is dat een brede middencoalitie met verregaande compromissen ontevreden kiezers sneller naar de flanken drijft. Het kan populistische partijen bevestigen in hun aanname dat er zoiets bestaat als een homogene elite (of partijkartel) die tegenover ‘het’ volk staat. Als middenpartijen hun eigen oppositie niet kunnen vormgeven, komt die oppositie eerder van de flanken.

Alternatief

Toch is er een alternatief, namelijk een minderheidscoalitie die wisselende (gedoog)steun krijgt van andere partijen. Het veelgehoorde motorblok VVD/CDA/D66 zou het hart kunnen vormen van een dergelijke minderheidscoalitie, die vervolgens steun zoekt bij andere partijen in het parlement voor allerhande beleidsvoorstellen. Zo’n minderheidscoalitie stelt partijen in staat om zichzelf sterker in het parlement te profileren. De discussie kan verlevendigen doordat partijen sommige beleidsvoorstellen steunen, andere stevig amenderen, en weer andere expliciet afwijzen. Een minderheidscoalitie versterkt het dualisme tussen regering en parlement, doordat de regering niet kan vertrouwen op een vanzelfsprekende meerderheid in het parlement.

Geen bestuurders

In Nederland wordt vaak gekeken naar het kabinet-Rutte I als voorbeeld van een gefaald minderheidskabinet. Maar dat is ten onrechte. Formeel was de PVV slechts gedoogpartner van de coalitie VVD/CDA. Maar wie naar het stemgedrag van de PVV kijkt, ziet dat het zich gedroeg als een reguliere coalitiepartner door grotendeels mee te stemmen met de regering. Simon Otjes (Rijksuniversiteit Groningen) en Tom Louwerse (Universiteit Leiden) noemden de regering-Rutte I daarom „een bijzonder meerderheidskabinet”, waarbij een van de coalitiepartners geen bestuurders leverde.

Feitelijk was Rutte II de eerste minderheidsregering sinds lange tijd, eerst in de Eerste Kamer en later (door afsplitsingen) ook in de Tweede. De regering moest steeds nieuwe akkoorden sluiten met de zogenoemde constructieve oppositie. Ze deed dat vaardig: halverwege de regeerperiode schreven allerlei media dat de regering het hele programma door het parlement had geloodst en daarmee feitelijk was uitgeregeerd. Premier Rutte bleek in staat wisselende coalities te smeden en gedoogpartners credits te geven voor de door hen ingebrachte beleidspunten. De ongebonden gedoogpartijen werden door de kiezer niet afgestraft voor hun gedoogsteun, maar bleven stabiel (CU, SGP) of wonnen zelfs flink (GroenLinks, D66). Uiteindelijk is een belangrijke les van Rutte II dat een minderheidscoalitie niet instabiel hoeft te zijn: Rutte II was de eerste regering sinds 1998 die de hele rit uitzat.

Flanken

Toch is het bepaald niet vanzelfsprekend dat er ditmaal opnieuw een minderheidscoalitie gevormd zal worden. Afgelopen najaar sprak zowel Pechtold (D66) als Zijlstra (VVD) zich nadrukkelijk uit voor een meerderheidscoalitie. Zo’n coalitie hoeft geen onoverkomelijk probleem te zijn, zeker met het oog op de verkiezingsuitslag. Maar dan moeten de coalitiepartijen waken voor een al te dichtgetimmerd regeerakkoord dat elk initiatief tot profilering in het parlement smoort. Anders zullen we bij de volgende verkiezingen opnieuw klagen over de kiezer die naar de flanken is getrokken.

De auteur is hoogleraar politicologie, in het bijzonder legitimiteit, ongelijkheid en burgerschap, aan de Universiteit van Amsterdam en auteur van het pamflet ”Niet de kiezer is gek” (Spectrum, 2017).