EO verloochent identiteit

beeld ANP, Jerry Lampen

De ontwikkelingsgang van de EO laat zien hoe organisaties die zich aanvankelijk sterk verzetten tegen de tijdgeest, na verloop van tijd in belangrijke mate bijdraaien. Zeker als er een nieuwe generatie aan het roer komt te staan. Er is hier veelal sprake van een sluipend assimilatieproces.

Het was te begrijpen dat men in orthodox-protestantse kring een halve eeuw geleden grote bezwaren had tegen de NCRV. Onder invloed van de turbulente ontwikkelingen in kerk en maatschappij was veel van de oorspronkelijke identiteit van deze christelijke omroepvereniging verloren gegaan. Een identiteit die gestempeld werd door de vooroorlogse Gereformeerde Kerken, maar waarin ook plaats was voor een man als Johannes de Heer.

Zo kwam in 1967 de Evangelische Omroep tot stand. Zoals in die jaren vanuit dezelfde verontrusting ook de RPF, de VBOK, het blad Koers, de Evangelische Hogeschool en de Gereformeerde Sociale Academie (inmiddels opgegaan in de Christelijke Hogeschool Ede) werden opgericht. Ook het ontstaan van het RD is te zien als een reactie op de ingrijpende verschuivingen in de jaren zestig van de vorige eeuw. Datzelfde geldt van de oprichting van tal van reformatorische scholen.

Mensen in de gereformeerde gezindte en in evangelische kring konden zich niet langer vinden in de bestaande protestants-christelijke alternatieven. Vanuit een diepe verontrusting over het verlies van identiteit voelde men zich gedrongen om een tegengeluid te laten horen. Vandaar dat de achterban gemobiliseerd werd. Meestal leidde dat tot resultaten. In het geval van de EO zelfs tot een veel groter resultaat dan de oprichters ooit verwacht hadden.

Antithetisch

Men stelde zich antithetisch op tegen de tijdgeest in kerk en maatschappij. In veel kerken werd immers een horizontaal evangelie verkondigd, vaak gericht op maatschappijhervorming in progressieve zin. Het gezag van de Bijbel werd aangetast, de vrije seksuele moraal geaccepteerd. Er werden vriendelijke woorden gesproken over communistische regimes. De vredesbeweging, die de westerse verdediging ondermijnde, werd toegejuicht.

Nu is het oprichten van een identiteitsorganisatie één ding, het overeind houden van die identiteit in de loop der jaren is een andere zaak. Wijlen ds. A. Vergunst, predikant van de Gereformeerde Gemeenten, zei eens dat het moeilijk was geweest om een Reformatorisch Dagblad op te richten. Het zou echter nog een veel zwaardere opgave zijn om een Reformatorisch Dagblad ook reformatorisch te laten blijven.

Zeker wanneer een nieuwe generatie aantreedt, zie je dat allerlei dingen gaan schuiven. Natuurlijk, de situatie waarin men opereert is ook veranderd. Ingrijpend soms. Als de fronten veranderen, moeten de prioriteiten worden bijgesteld. Bovendien is het vaak een kunst om de achterban bij elkaar te houden. En als het even kan, wil je ook nog wat groeien.

De leiders zijn er vaak op gericht om veranderingen in de identiteit te camoufleren of te bagatelliseren. De Volkskrant had vroeger als onderkop ”Katholiek dagblad voor Nederland”. In het kader van de ontzuiling werd die onderkop in 1965 geschrapt. Tegelijkertijd beklemtoonde men dat de Volkskrant heus wel een rooms-katholieke krant bleef. Daar konden de lezers gerust op zijn. Men vond het alleen niet meer zo nodig om dat nu elke dag op de voorpagina te vermelden.

Wie een beetje de ontwikkelingen in de dagbladwereld heeft bijgehouden, weet de afloop. Een tijd lang was de rooms-katholieke signatuur van de Volkskrant nog te herkennen in de overlijdensadvertenties, maar ook dat is voorbij.

Cyclische secularisatie

Twee jaar geleden verscheen het proefschrift van Remco van Mulligen, getiteld ”Radicale protestanten”, over de opkomst en de ontwikkeling van EO, EH en Christen­Unie. Hij signaleert daarin hoe deze radicale protestanten, zoals hij hen noemt, wel antithetisch begonnen zijn, maar de laatste decennia een heel stuk zijn bijgedraaid. De recente gang van zaken bij de EO past helemaal in dat patroon.

Van Mulligen sluit hiermee aan bij de theorie van de cyclische secularisatie van de Britse socioloog Steve Bruce. Bruce signaleert dat het nogal eens voorkomt dat uit protest tegen allerlei principiële ver­anderingen in hun omgeving, een groep bezwaarden zich afzondert om een eigen kerk of organisatie op te richten. Soms vindt hun optreden veel weerklank, maar na verloop van tijd kiest de nieuwe groepering vaak (ook onder druk van grote delen van de achter­ban) toch voor een meer liberale koers.

Veelal roept dat protest op bij een minderheid die aan de oorspronkelijke identiteit wil vasthouden. Wellicht gaat die over tot het oprichten van een nieuw (kerk)verband. Dat zal echter belangrijk kleiner zijn dan het verband dat men verliet.

Religieuze minderheden staan in de moderne maatschappij bloot aan een sterke assimilatiedruk. Tegenover de dominante cultuur die zich op allerlei manier opdringt (niet het minst via de moderne media), moeten zij voortdurend hun geloofs­overtuiging en levensstijl verdedigen. Wat in de huidige maatschappij gewoon geworden is, daar nemen de eigen mensen gemakkelijk ook het een en ander van over. Bijna iedereen doet het tegenwoordig immers zo! Dat noemt men wel de normatieve kracht van de feitelijkheid.

Met name is het een zware opgave om die eigen geloofsovertuiging en levensstijl voor de jongere generatie geloofwaardig te laten zijn en blijven. Dat lukt, menselijkerwijs gesproken, nog het best wanneer er sprake is van een hechte geloofsovertuiging en men door middel van de verzuiling een eigen sociaal milieu heeft weten op te bouwen.

Bedenkingen

Ter rechterzijde in de gereformeerde gezindte heeft men altijd al grote bedenkingen gehad tegen de EO. Daar overheerste immers een oppervlakkige godsdienst. Met name de EO-jongerendagen riepen veel afkeurende reacties op. Daarmee ging het in de loop der jaren ook van kwaad tot erger. Bovendien maakte de EO zijn achterban vertrouwd met televisie en drama.

Thans is het een belangrijk deel van de oorspronkelijke achterban van de EO die in verzet komt tegen het directiebeleid. Althans voor zover men zelf ook al niet een heel stuk opgeschoven is. Mensen uit de gereformeerde gezindte en ook uit evangelische kring geven duidelijk blijk van hun verontrusting.

Of het veel zal helpen, is een andere zaak. Tot dusver was het volgens de EO-directie vooral een communicatieprobleem. Het beleid deugde wel, maar men had het beter moeten verkopen.

Het is inderdaad ook een hele opgave om het meer rechtzinnige deel van je achterban uit te leggen dat je als Evangelische Omroep de uitgesproken remonstrantse theoloog Tom Mikkers als programma­maker aantrekt. Iemand die zelf een homo­huwelijk is aangegaan.

Kenmerkte de EO zich vroeger niet door het scherp afwijzen van homoseksuele relaties? Was het bestrijden van vrijzinnige tendenzen in kerk en theologie ook niet wezenlijk voor zijn opstelling? Bij alle bezwaren die men ter rechterzijde tegen de EO had, waren dat juist de zaken waarin men de omroep kon waarderen.

Maar volgens de EO-directie is Tom Mikkers „betrokken, gelovig en creatief.” Als remonstrant behoort hij ook tot de achterban van de EO. Nu men de IKON geïncorporeerd heeft, moet men immers het hele kerkelijke spectrum vertegenwoordigen. Maar heeft men er nooit over nagedacht of men dat om principiële redenen wel zou kunnen? Botsen allerlei standpunten uit de bredere kerkelijke wereld niet frontaal met de boodschap van de Bijbel?

Kennelijk is hier sprake van een sterke relativering van de christelijke leer. Ook door een organisatie die zich vanouds liet voorstaan op haar Bijbelgetrouwheid. Die relativering geldt niet alleen ten opzichte van Rome, maar ook ten opzichte van de vrijzinnigheid. Het maakt kennelijk niet zo veel meer uit wat men gelooft. In wezen komt het toch allemaal op hetzelfde neer, zo lijkt het.