Een verwarrende omweg

Beeld Sjaak Verboom

Mijn laatste column, onder de titel ”Een nieuwe reformatie”, heeft bij sommigen begrip en bij velen verwarring, verdriet en boosheid opgeleverd. Dat was natuurlijk niet de bedoeling. Laat ik proberen eerst twee misverstanden weg te nemen.

Mijn column ging niet over het eerste komen tot Christus. Daarvoor is het ‘afsnijdende werk’ nodig. Immers, hoe zullen we Christus begeren als zonde geen schuld is geworden en als de Heilige Geest, Die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel, ons niet van alle hulpbronnen afsnijdt. (Heidelbergse Catechismus, vraag 5-12).

Daarbij geloof ik dat ellende-verlossing-dankbaarheid niet alleen het geestelijke patroon vormt rondom de wedergeboorte, maar ook steeds opnieuw in het leven der genade.

De column ging ten tweede ook niet over de vraag of Gods kinderen een bijzondere ervaring kunnen hebben, waarin ze zich voor Gods rechterstoel geplaatst weten, en na deze crisiservaring met meer zekerheid bevinden dat hun zonden hun om Christus’ wil vergeven zijn. Dat die geestelijke ervaring voorkomt, is zonneklaar. Er zijn genoeg bekeringsgeschiedenissen waarin gelovigen dat uit hun eigen leven indringend beschrijven.

Waar ging het dan wel over? Over de prediking waarin deze bevindelijke confrontatie met het recht Gods gepresenteerd wordt als noodzakelijk, wil je mogen zeggen dat je ervan verzekerd bent dat je zonden om Christus’ wil vergeven zijn.

Het leidt ertoe dat ik in mijn kerkelijke omgeving regelmatig kinderen van God tegenkom die de Heere Jezus liefhebben als hun enige Zaligmaker, en tegelijk worstelen met de vraag hoe ze de zekerheid kunnen verkrijgen dat hun zonden hun vergeven zijn.

Ze zijn er door de prediking diep van overtuigd geraakt dat daar iets bijzonders voor nodig is, een tweede zegen, de zielservaring waarin je oog in oog met het recht Gods opnieuw afgesneden wordt van je eigengerechtigheid.

Precies dat is wat ik een verwarrende omweg noem. De omweg dat je pas na een geestelijke ervaring de belofte van vergeving van zonden door het geloof mag aannemen. Dit vinden we niet terug bij de puriteinen, bij reformatoren of zeventiende-eeuwse oudvaders. Ook niet in de belijdenisgeschriften.

Hoofdstuk 5 van de Dordtse Leerregels gaat over de verzekering van het geloof. In het vijfde artikel over de verwerping der dwalingen stellen de auteurs dat zij dwalen „die leren, dat men geen zekerheid van de toenemende volharding ín dit leven kan hebben, zonder een bijzondere ervaring.” Ze belijden dat „de Heilige Schrift deze zekerheid telkens afleidt, niet uit een bijzondere en buitengewone openbaring, maar uit de eigen merktekenen der kinderen Gods en uit de zeer standvastige beloften Gods.”

De catechismus beschrijft in antwoord 84 welke weg de prediking aanwijst om gelovigen de zekerheid te geven dat hun zonden hun waarachtig en om Christus’ wil vergeven zijn. Er staat dat in de prediking „aan de gelovigen, allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt dat hun, zo dikwijls als zij de belofte van het Evangelie met een waar geloof aannemen, waarachtig al hun zonden van God, om de verdienste van Christus’ wil, vergeven zijn.”

Onlangs verscheen over dit thema een duidelijk boekje van ds. P. de Vries: ”Recht en genade”. Al eerder schreef ds. H. Paul een helder en beknopt werkje: ”De zekerheid van het geloof”.

Mijn bedoeling is zeker niet om oude en pijnlijke discussies op te rakelen. Discussies leiden tot onvruchtbare tegenstellingen. En het raakt mij dat kinderen van God en dat predikanten die ik zeer hoogacht verdrietig of boos zijn geworden bij het lezen van de vorige column. Maar het is anderzijds een hele verantwoordelijkheid als we, door de gedachte waarover het hier gaat, een verhindering zouden opwerpen voor Gods kinderen om te mogen roemen in de zekerheid van het geloof.

Laten we bidden dat wij als gereformeerden steeds opnieuw innerlijk bereid zijn te reformeren als de eenvoudige leer van Gods Woord daarom vraagt.