Column: Gepruil in de zuil

„Het reformatorische geloof is nomadengeloof” beeld Sjaak Verboom

Ons spreken over de refozuil gebeurt te vaak op onzuivere toon. Dat trof mij toen onlangs in deze krant een discussie op gang kwam nadat prof. De Muynck opmerkte dat de refozuil niet meer bestond. Volgens De Muynck zijn we maar een minderheid, machteloos en overgeleverd aan de willekeur van de machthebbers. De nieuwe generatie is een generatie van vreemdelingen. Met die situatie moeten we rekenen.

Het onzuivere spreken over de refozuil zit deels ingebakken in de term zelf. Collega-columnist Ewald Mackay heeft daarover wijze dingen opgemerkt. Een zuil heeft geen vensters en is hard en massief. Bepaald geen kenmerken waarmee christenen geassocieerd willen worden. Het beeld van een huis als alternatief voor het beeld van een zuil is veel passender. Een huis dat is gegrond op de Rots, Christus. Een huis waar wordt geput uit Gods Woord. Het betreft het huis van de kerk, met beschermende muren van een lange traditie waarbinnen het geloof wordt bewaard. Een huis dat de vensters naar de wereld open heeft, zodat de bewoners naar buiten toe kunnen getuigen.

iStock_000012162298_Large_webDe Muynck: Refozuil bestaat niet meer

Er schuurt echter nog meer in ons spreken over de refozuil. Dat betreft niet het nut ervan. Er waait een gure, seculiere wind. De zuil biedt beschutting en geeft met name jongeren gelegenheid voor geestelijke en intellectuele vorming.

Daarnaast heeft de zuil orthodoxe christenen gelegenheid gegeven om hun stem te laten horen in het publieke domein, bijvoorbeeld via christelijke politieke partijen. Zonder zuilvorming en organisatie was dit geluid allang weggevallen in het publieke leven. De doorbraakchristenen van na de Tweede Wereldoorlog hebben –ondanks nobele bedoelingen– vooral de uitholling van het christelijk geloof bevorderd.

Er is dus geen overtuigende reden om de christelijke zuilvorming hooghartig aan de kant te schuiven. Zo’n houding zou getuigen van overschatting van de geestelijke kracht van christenen in ons land. Op zichzelf is er niets mis met de vorming van aparte, reformatorische organisaties. Zolang dit maar niet leidt tot een eilandmentaliteit, geestelijke egotripperij, kleinburgerlijkheid, uitwendige vroomheid of zelfgekozen isolement, met verbreking van de theocratische eenheid van het leven. In ieder geval mag de zuil niet zo veel comfort bieden dat we met deze wereld tevreden zouden zijn. Het reformatorische geloof is nomadengeloof, niet het geloof van een wereldse bourgeois.

Het probleem zit echter dieper. Ons spreken over de refozuil gaat op de een of andere wijze altijd gepaard met fatalistische tonen over de toekomst van het christendom in Nederland. Het gaat al snel over de bijzondere dagen van weleer. Over het opvallend christelijk verléden van ons land. En meer recent: het rijke verleden waar de refomannen van het eerste uur zo’n belangrijke rol speelden. Bij de oprichting van reformatorische scholen, een eigen krant, zorginstellingen, vakorganisaties en dergelijke. Wat een pioniers en wat hebben zij opgebouwd met een enorme inzet. Je denkt als vanzelf aan Psalm 44:2: Wat een machtig werk is er verricht in hun dagen, in de dagen van weleer.

Juist hier gaat het mis. Vol heimwee kijken we terug naar die tijd, als iets wat voorbij is en nooit meer terugkomt. Zulke heldhaftige pioniers zien we niet meer om ons heen. En inderdaad, wellicht is de bloeitijd van de refozuil definitief voorbij. Maar daarmee zijn we als christenen niet per definitie beland in een onomkeerbare neergang.

Juist Psalm 44 toont dat de bijzondere daden en ontwikkelingen uit het verleden voor ons niet buiten beeld zijn. Wij staan in nauw verband met die grote daden van weleer, omdat die niet door onze voorvaders zijn verricht, maar geschonken door God Zelf. Die God wil vandaag ook nog steeds onze God zijn. Hun God is onze God. Daarom is het buitengewoon schadelijk om te denken dat wat vroeger kon worden gedaan, nu niet meer zou kunnen. De mensen waren daartoe vroeger zelf ook niet in staat. God deed dit werk in en door hen. En dat doet Hij vandaag nog door ons heen. „O, God, Die droeg ons voorgeslacht.”

Wij behoren niet naar onszelf te kijken als een in het nauw gedreven minderheid, maar mogen vol zijn van vreugde, omdat deze God onze God is. Laten we minder gericht zijn op ons voorgeslacht en meer gericht zijn op de God van ons voorgeslacht. Dan mogen we vol verwachting uitzien naar de grote werken van God vandáág. Het is tenslotte Pasen geweest. De steen is weggerold. Sinds dat moment mogen wij nooit meer zeggen dat iets niet meer zou kunnen.

Diederik van Dijk is lid van de Eerste Kamer voor de SGP. Reageren? rubriekforum@refdag.nl