Bijbel is geen doel op zich

beeld iStock

Het getuigenis van de kerk, de rede en de cultuur zijn ondergeschikt aan het Woord en moeten aan het Woord worden onderworpen, betoogt 
dr. P. de Vries.

De Bijbel is een volstrekt uniek. Onvergelijkbaar met welk boek dan ook. De Bijbel is namelijk het Woord van God. Het is de stem van de levende God. De Bijbel is niet alleen het getuigenis dat God in het verleden tot mensen heeft gesproken. In en door de Bijbel spreekt God ook nu nog tot mensen. Als wij het Woord horen, het Woord lezen, heeft dat altijd effect. De Bijbel met zijn boodschap is of een ”reuke des levens ten leven” of een ”reuke des doods ten dode” (2 Kor. 2:16).

”Het Woord alleen” betekent niet dat wij zonder de verlichtende en vernieuwende werking van de Heilige Geest het Woord kunnen verstaan en in de praktijk van ons leven gestalte geven. Het betekent wel dat alleen de Bijbel het Woord van God is. Inzichten, opvattingen, de levenspraktijk en gewoonten binnen de christelijke kerk moeten de toetssteen van het Woord van God kunnen doorstaan willen zij betekenis hebben.

De apostelen hebben in hun prediking telkens op de Schriften teruggegrepen. Dat deed trouwens ook de Heere Jezus Zelf. De Schriften zijn de boeken van het Oude Testament. Het apostolische getuigenis over de Heere Jezus Christus is vastgelegd in de boeken van het Nieuwe Testament. In prediking, catechese, verspreiding van het Evangelie beriep en beroept de christelijke kerk zich op de profetische boeken van het Oude Testament en de apostolische boeken van het Nieuwe Testament.

Op de rijksdag van Worms van 1521 getuigt Luther dat zijn geweten uitsluitend gevangen is in het Woord van God. Het Woord alleen (”sola Scriptura”) is daarom een van de typeringen van de Reformatie geworden.

Rede

Wij mogen en moeten ons verstand gebruiken bij het onderzoek van de Schriften, maar het verstand of de rede is geen zelfstandige gezagsinstantie. Het aanvaarden van de Schrift als het Woord van God en daarom ook als een eenheid waarin Gods Zichzelf niet tegenspreekt, is voorwaarde voor het onderzoeken van de Schrift in overeenstemming met zijn eigen bedoeling. De Bijbel is van meet af aan meer dan een bibliotheek van boeken uit het Oude Israël en uit de vroegste periode van de christelijke kerk.

De Bijbel is niet in de laatste plaats een geschiedenisboek. De Bijbel vermeldt echter feiten die niet binnen het kader van de natuurwetenschap passen. Dat geldt wel heel duidelijk voor de maagdelijke geboorte, opstanding en hemelvaart van onze Heere Jezus Christus. Zijn al die gebeurtenissen die in de Bijbel als historie worden vermeld, wel echt gebeurd?

Het is van belang dat wij beseffen en geloven dat God de Almachtige is. Er zijn in de geschiedenis echt dingen gebeurd waarvoor geen natuurwetenschappelijke verklaring valt te geven. Wie de realiteit en historiciteit van deze gebeurtenissen ontkent, sluit zich af voor de belangrijkste gebeurtenissen die de toekomst van de wereld en van de mens bepalen.

Cultuur

Bij de leerstellige inhoud en de historische betrouwbaarheid van de Bijbel worden niet alleen buiten maar ook binnen de christelijke kerk vragen gesteld. Dat geldt ook voor de Bijbelse ethiek. Te denken valt aan het Bijbelse getuigenis over het huwelijk, over seksualiteit en over de verhouding van man en vrouw.

Is de Bijbelse ethiek –en dan niet alleen die van het Oude Testament maar ook die van het Nieuwe Testament– niet op zijn minst voor een deel contextueel bepaald? Moet de eigen cultuur niet een zelfstandige plaats krijgen bij de beoordeling wat van blijvende waarde is met betrekking tot de Bijbelse boodschap en wat tijdgebonden is?

Wie de Schrift als Woord van God erkent, zal vanuit de Schrift de cultuur toetsen en niet de cultuur laten bepalen wat in de Schrift blijvend relevant is en wat niet.

Kern

”Het Woord alleen” betekent niet dat wij geen belijdenis of kernachtige samenvatting van de Bijbel nodig hebben. Die hebben wij wel nodig. Voor onszelf, voor het doorgeven van de Bijbelse boodschap aan de komende generatie en voor de verbreiding van de Bijbelse boodschap in de wereld. Zaak is wel dat de belijdenis echt recht doet aan de Bijbelse boodschap.

Wie de Bijbelse boodschap in enkele woorden wil samenvatten, kan dat doen met de typering: schepping, zondeval, verlossing en voleinding. Dat Bijbelse perspectief moet ons leven gaan stempelen. De mens is naar Gods beeld en gelijkenis geschapen. In Adams zondeval zijn wij dat beeld kwijt geraakt. Geestelijk gezien zijn mensen verloren zonen en dochters, kinderen des toorns. Het is onmogelijk de Bijbelse boodschap van verzoening, verlossing en vergeving vast te houden als men opgeeft dat Adam en Eva het eerste mensenpaar waren en dat het paradijs een historische plaats en de zondeval een historisch feit zijn.

Zeker in onze tijd mag dat wel met kracht benadrukt worden als wij concreet uitwerken wat ”het Woord alleen” betekent. Jezus Christus is de tweede Adam. Terwijl Adam voor de mensheid de dood in de wereld bracht (lichamelijke, geestelijke en eeuwige dood), heeft Christus de dood overwonnen. Niet minder dan de zondeval een historisch feit is, is de opstanding van Jezus uit de doden een historisch feit. Tegenover de misdaad van Adam, waarin wij allen delen, staat de gehoorzaamheid van Christus. Daarin delen we door wedergeboorte, geloof en genade.

Kerk

De Bijbel is de laatste en uiteindelijke norm en bron van ons geloof. In die zin mogen en moeten wij spreken over het Woord alleen. Het getuigenis van de kerk, de rede en de cultuur zijn ondergeschikt aan het Woord en moeten aan het Woord worden onderworpen. Wel is van belang dat wij de Bijbel willen lezen in gemeenschap met de kerk van alle eeuwen en plaatsen. Heel in het bijzonder blijkt dat door de belijdenis als leesregel voor het verstaan van de Schrift en als spreekregel voor het doorgeven van het Bijbelse getuigenis te aanvaarden. Daarnaast zijn er tal van andere geschriften en documenten waarin wij voor het verstaan van de Schrift onze winst kunnen doen.

Bij de belijdenis: „Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad” (Ps. 119:105) hoort ook de belijdenis: „Uw volk is mijn volk” (Ruth 1:16). Een christen behoort altijd ook een katholiek christen te zijn. In het geloof weten wij ons verbonden met de kerk van alle eeuwen en plaatsen.

Overigens geldt voor een gereformeerd christen dat de gereformeerde belijdenis de diepste expressie is van de Bijbelse boodschap en daarmee ook van het algemeen, ongetwijfeld christelijke geloof. Dit betekent niet dat wij slechts kunnen leren van hen die de gereformeerde belijdenis ten volle aanvaarden. Ongetwijfeld kunnen we van christenen leren aan wie niet zonder meer het predicaat gereformeerd christen kan worden gegeven. Ik denk dan niet alleen aan Luther, maar ook aan de kerkvaders en aan middeleeuwse theologen zoals Anselmus en Bernard van Clairveaux.

Uit het Woord van God mogen ook telkens niet alleen oude maar ook nieuwe schatten worden opgedolven. Dat nieuwe is dan niet altijd voor anderen in de kerk der eeuwen nieuw, maar wel voor onszelf. Met totaal nieuwe dingen moeten wij voorzichtig zijn. Als wij dingen zeggen die nooit iemand voor ons in de kerkgeschiedenis zei, is meer dan eens te hopen dat ook nooit iemand na ons het zal zeggen.

Buigen

De Schrift is geen doel in zich. God heeft ons de Schrift gegeven opdat we Hem leren kennen, Hem verheerlijken en ons in Hem verheugen. Paulus schreef aan Timotheüs: „Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust” (2 Tim. 3:16-17).

Augustinus sprak naast de regel van het geloof over het belang van de regel van de liefde voor het verstaan van de Schrift. Het gaat erom dat wij God als het hoogste goed gaan liefhebben en leven tot welzijn van onze naaste. Wie de diepste kern van de Schrift verstaat, wordt door genade aan Christus gelijkvormig, en wie niet aan Christus gelijkvormig wordt, heeft de diepste kern van de Schrift nog niet verstaan.

Na de dood van Luther vond men op de tafel van zijn sterfkamer een briefje. Luther had daarop in het Latijn een programmatische samenvatting van zijn levenswerk had gekrabbeld: „Vergilius in zijn herdersgedichten kan niemand verstaan, als hij geen vijf jaar herder is geweest. Cicero in zijn brieven kan niemand begrijpen, als hij niet 25 jaar in de politiek heeft gezeten. De Heilige Schrift mene niemand voldoende te hebben geproefd, als hij geen 100 jaar lang met profeten als Elia, Elisa, Johannes de Doper, Christus en de apostelen de gemeente heeft geregeerd. Probeer niet dit goddelijk heldendicht te begrijpen, maar buig u diep aanbiddend voor Zijn sporen.” En dan in zijn moedertaal: „Wir sind Bettler (wij zijn bedelaars). Hoc est verum (dat is waar).”

De auteur is hersteld hervormd predikant in Boven-Hardinxveld en docent Bijbelse theologie en hermeneutiek aan het Hersteld Hervormd Seminarie in Amsterdam. Dit artikel is een bewerking van de lezing die hij gisteren hield op een bezinningsdag van het Hoornbeeck College over het thema ”Leven uit het Woord”.