Ook Duitsland kende een Nadere Reformatie

Jan van de Kamp. Foto RD, Henk Visscher Henk Visscher

AMSTERDAM – Ook Duitsland heeft een beweging van „Nadere Reformatie” gekend. Promovendus drs. Jan van de Kamp: „Niet zo’n omvangrijke als Nederland, maar toch: een „Nähere Reformation.””

„Vader” van deze beweging was de Duitse predikant Theodor Undereyck, zo blijkt uit het proefschrift waarop Van de Kamp maandag aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam promoveert – als eerste promovendus van prof. dr. W. J. op ’t Hof, bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van het gereformeerde piëtisme. Undereyck (1635), wiens voorvaderen uit Antwerpen waren gevlucht, studeerde theologie in Duisburg. Maar ook in Utrecht, bij Voetius; en in Leiden, onder Voetius’ tegenspeler Coccejus. De Utrechtse predikanten Jodocus van Lodenstein en Justus van den Bogaert oefenden eveneens diepgaande invloed op hem uit.

In 1670 verbindt Undereyck zich aan de Martinigemeente in de Noord-Duitse Hanzestad Bremen. Daar schrijft hij een tijdje later, in lijn met de Nederlandse nadere reformator Willem Teellinck, zelfs een reformatieprogramma, waarin hij magis­traat en bevolking oproept tot terugkeer naar Gods geboden.

Van de Kamp, ook bestuurslid van de stichting Vrienden van Heidelberg & Dordrecht: „Groot is de „Nähere Reformation”, zoals ik haar aanduid, in Duitsland niet geweest. In Nederland was deze vroomheidsbeweging in bijna alle provincies wel te vinden; in Duitsland zie je haar invloed maar in een aantal gebieden. Oost-Friesland onder meer, en het Rijnland. Maar toch, Duitsland heeft wel zo’n beweging gekend. En ik hóóp dat ik door mijn studie de Duitsers zelf ook kan laten zien wat een rijk verleden zij op dit punt hebben.”

De promovendus onderzocht de afgelopen jaren „Duitse vertalingen van Engelse en Nederlandse gereformeerde stichtelijke literatuur tussen 1667 en 1697 en de rol van netwerken”, aldus de ondertitel van zijn proefschrift. De Duitsers Johannes Duysing, Johann Deusing, Philipp Erberfeld, Johann Christoph Noltenius en Henning Koch vertaalden in die jaren heel wat stichtelijke werken. Johann Deusing bijvoorbeeld „übersetzte” onder andere enkele werken van Willem Teellinck (1579-1629) en van de Engelse puritein Richard Baxter (1615-1691) in het Duits.

Als één ding Van de Kamp in de loop van zijn onderzoek duidelijk werd, was het dat vertegenwoordigers van verschillende vroomheidsbewegingen in het zeventiende-eeuwse Europa nogal eens in nauw contact met elkaar stonden. „Waarbij het vaak niet gemakkelijk is zulke netwerken te reconstrueren. Je moet het hebben van kleine aanwijzingen in boeken, of correspondentie die bewaard is gebleven. Maar dan kom je er toch achter dat bijvoorbeeld Duitse lutheranen ook contacten onderhielden met calvinisten in Duitsland, of werken lazen van Engelse puriteinen.”

Het leidde tot een van zijn belangrijkste conclusies: „Het ís mogelijk een koepelterm te gebruiken voor al deze vroomheidsbewegingen in Europa: 
piëtisme – van pietas, vroomheid. Juist omdat er zo veel overeenkomsten, maar ook contacten waren tussen de verschillende bewegingen.”

Onvermijdelijke vraag: wat is het belang van termen, definities als deze?

„Niet om ermee op mijn strepen te gaan staan. Ik wil ook meteen toegeven dat allerlei schema’s in mijn proefschrift er ingewikkeld uitzien. Maar tot op zekere hoogte zijn onderscheidingen nuttig, vooral als ze historische breuken weerspiegelen – bijvoorbeeld tussen gereformeerd piëtisme en Nadere Reformatie, Franciscus Ridderus versus Jacobus Koelman. En een overkoepelende term als piëtisme kan het wetenschappelijk debat rond bijvoorbeeld de vraag in hoeverre verschillende vroomheidsbewegingen verwant zijn aan elkaar, verder helpen.”

Van de Fritz Thyssen Stiftung in Keulen ontving u inmiddels twee beurzen voor verder onder­zoek in Duitsland. Wat gaat u doen?

„Er ligt nog een enorm onderzoeksterrein braak. De komende maanden wil ik in elk geval de predikant Theodor Undereyk nog wat grondiger bestuderen en verder gaan met het in kaart brengen van de Duitse vertalingen van Engelse puriteinse boeken, met behulp van de database Pietas.”

Wat hebt u zelf met piëtistische auteurs?

„Ik kom zelf uit de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, en lees deze schrijvers graag. Guthrie, Sibbes, maar toch ook iemand als Baxter. Ik weet het: hij heeft twee kanten, ook een, laat ik zeggen, minder orthodoxe. Maar in zijn boeken merk je hoe hij heilig voor God wilde leven – en dat maakt mij jaloers.”


Samen met prof. dr. W. J. op ’t Hof, prof. dr. A. A. den Hollander en drs. F. W. Huisman van de Vrije Universiteit (VU) heeft drs. Van de Kamp het plan opgevat om aan de VU een Centrum voor onderzoek naar het gereformeerd piëtisme op te zetten. Dit centrum zou, idealiter, kunnen uitgroeien tot de gereformeerde evenknie van het Interdisziplinäres Zentrum für Pietismusforschung (IZP) in het Duitse Halle, met prof. dr. Pia Schmid aan het roer. De initiatiefnemers proberen op dit moment fondsen te werven voor het nieuwe centrum.

Van de Kamp: „Het IZP richt zich met name op het lutherse piëtisme, in Duitsland; ons centrum –misschien is het meer een platform– wil zich vooral gaan bezighouden met de bestudering van het gereformeerde piëtisme. Al zijn er zeker verbindingen tussen die twee, laat ik in mijn proefschrift zien.”

Het verder onderzoeken van dit laatste zal een van de thema’s zijn waarmee het centrum aan de slag wil. „Zeker in Duitsland wordt nogal eens gedacht dat het piëtisme alleen binnen de Duitse taalgrenzen bestond. Maar dat is zeer de vraag.”