Nieuwjaarsgroet uit een Gestapokelder

beeld Fotolia
2

Hij zit in de kelder van het hoofdkwartier van de Gestapo in Berlijn in een cel. Zijn verloofde heeft hij al lange tijd niet gezien. De jaarwisseling nadert, het onzekere nieuwe jaar wacht. Wat zal hij haar schrijven? Bonhoeffer pakt zijn pen en maakt een kerst- en nieuwjaarsgroet: een gedicht over Gods bescherming en nabijheid.

Dietrich Bonhoeffer is sinds 5 april 1943, vanwege de mislukte aanslag op Hitler een maand eerder, gevangene van de nazi’s. Aanvankelijk zit de Duitse theoloog in de gevangenis in Tegel, in oktober 1944 wordt hij echter overgebracht naar het hoofd­kwartier van de Gestapo in Berlijn.

Sinds januari 1943 is Bonhoeffer verloofd met de achttien jaar jongere Maria von Wedemeyer. Het is in december 1944 dus bijna twee jaar geleden dat ze elkaar trouw beloofden. In de week vóór Kerst krijgt de gevangene de gelegenheid zijn Maria –nog maar 20 is ze– een brief te schrijven.

De kerstdagen in onze huizen zullen „zeer stil” zijn, schrijft Bonhoeffer op 19 december 1944. „Maar ik heb steeds weer ervaren dat, hoe stiller het om me heen geworden is, des te duidelijker ik de band met jullie merkte.” Hij heeft zich nog geen moment alleen gelaten gevoeld. „Het is net alsof de ziel in de eenzaamheid organen ontwikkelt die we in het alledaagse leven nauwelijks kennen.”

Maria, de ouders, vrienden, leerlingen: ze zijn voortdurend aanwezig, aldus de gevangene. „Jullie gebeden en goede gedachten, Bijbelwoorden, gesprekken van lang geleden, muziekstukken en boeken: ze worden een levende werkelijkheid als nooit tevoren.”

Er is een groot, onzichtbaar rijk waarin men leeft en waaraan men niet hoeft te twijfelen, aldus de theoloog. Hij citeert een oud slaapliedje waarin sprake is van veertien beschermende engelen: „Zweie die mich decken, zweie dich mich wecken” (twee die me dekken, twee die me wekken). „Deze bewaring, ’s avonds en ’s morgens, door goede onzichtbare machten is iets wat wij volwassenen vandaag niet minder nodig hebben dan de kinderen.” Daarom hoeft Maria niet te denken dat hij ongelukkig is. „Ik ben elke dag blij, omdat ik jou, jullie heb.”

Beker

Na een paar opmerkingen over alle­daagse dingen als eten en roken, boeken en onderbroeken, bindt Bonhoeffer Maria nogmaals op het hart dat ze niet moedeloos moet worden. Bij wijze van kerstgroet voor haar en de familie voegt hij daarom enkele verzen toe die hij de avonden ervoor heeft zitten maken: ”Von guten Mächten” (zie bijgaande vertaling van J. W. Schulte Nordholt).

Zijn vertrouwen op de onzichtbare goede machten die hem en de zijnen beschermen –de engelen dus– heeft de gevangene in zeven strofen gevangen. Door deze engelenwacht omgeven (wie denkt niet aan Psalm 91?) kan hij elke dag leven en ook met zijn geliefden de drempel van het nieuwe jaar over.

Maar wat doe je met de oude pijn die drukt en de last van het leed dat dreigt? Bonhoeffers gedicht gaat over in een gebed. God heeft ons niet voor het ongeluk, maar voor het heil geschapen. Geef, Heere, onze opgeschrikte zielen dan dat heil!

Een indrukwekkend vers volgt, vooral bezien tegen de achtergrond van Bonhoeffers terechtstelling vier maanden later. Als U, Heere, ons toch de tot de rand toe gevulde bittere beker van het lijden aanreikt, dan zullen we die dankbaar en zonder beven aannemen. Want het is een goede en geliefde hand die hem ons geeft. Wie denkt hier niet aan het gebed van Jezus in Gethsémané?

Kaarsen

Maar mocht het anders gaan, gaat Bonhoeffer verder, mochten er toch weer vreugdevolle en zonnige dagen aanbreken, dan zullen we de ellende die achter ligt in gedachtenis houden. Dan zullen we ons hele leven U, Heere, toewijden.

Maar ook nu, midden in de nacht, is er licht. De kaarsen van Kerst zijn er een teken van. Laat ze warm en fel branden. En als het mogelijk is, Heere, breng ons weer bij elkaar. We weten het immers: Uw licht schijnt in de nacht.

En als er toch weer de diepe stilte van de eenzaamheid is, laat in die stilte dan de lofzang om ons heen zijn. Het lied van Uw gemeente, wereldwijd.

Bonhoeffer komt weer terug bij de goede machten die hem omringen. Ze bieden geborgenheid, waardoor de onbekende toekomst met goede moed tegemoet getreden kan worden. Niet alleen zijn er, volgens dat kinderlied, ’s morgens en ’s avonds engelen die wekken en weer toedekken. In deze goede machten is God Zélf bij ons, aldus de gevangene. Als de avond valt, en als de ochtend gloort. Ja, elke nieuwe dag.

Kerklied

Maria zorgt er dezelfde Kerst nog voor dat de ouders van Dietrich een afschrift van het gedicht krijgen. Bonhoeffers verzen zijn immers voor de hele familie bestemd. Er zitten op dat moment nog meer familieleden en bekenden vast, en Dietrichs tweelingzus Sabine is naar Engeland gevlucht. Een hart onder de riem vanuit de Gestapokelder is welkom.

Het familiegedicht heeft een heel persoonlijk karakter. Het ”ik” van de eerste strofe verandert echter al in het tweede couplet in ”wij” en ”ons”. En het laatste vers heeft zelfs een algemeenheid die het gedicht geschikt maakt om als kerklied te gebruiken.

Dat gebeurt dan ook. Aanvankelijk wordt alleen de slotstrofe op muziek gezet (zie ”De mooiste melodie”). Later krijgt echter het hele gedicht de status van een kerklied en komt het in het Duitse Evangelisches Gesangbuch terecht.

In 1973 duikt Bonhoeffers gedicht in de vertaling van Schulte Nordholt als lied voor de jaar­wisseling ook in het Liedboek voor de kerken op. In het nieuwste Liedboek (2013) is het opnieuw opgenomen.

Tal van mensen weten zich, 72 jaar na het ontstaan van het gedicht, geïnspireerd door Bonhoeffers woorden. Mét de nazi­gevangene verwachten ze op de drempel van het nieuwe jaar getroost wat komen mag.

---

De mooiste melodie

Al snel na 1944 wordt ”Von guten Mächten” een gemeentelied. In Duitsland maakt componist Otto Abel eind jaren 50 een zetting bij de laatste strofe. De melodie van Abel komt later in het Evangelisches Gesangbuch terecht.

Het gedicht wordt internationaal meer dan zeventig keer op muziek gezet. Bekend worden de melodieën van de Fransman Joseph Gelineau en de Duitser Siegfried Fietz. In Nederland wordt ”Door goede machten” sinds het Liedboek van 1973 (gezang 398) gezongen op een melodie van Adriaan C. Schuurman. Volgens kenners is het de mooiste wijs die voor dit lied geschreven is. In een interview zegt Schuurman: „Ik ben bij het componeren tamelijk intuïtief te werk gegaan, maar toch ook wel in het bewustzijn dat een melodie bij zo’n lied heel eenvoudig moet zijn, beperkt tot de grootste eenvoud die maar mogelijk is. Een melodie die haar kracht ontleent níét aan fleur en aan versiering maar alleen aan innerlijke kracht, als een beeld van deze man die bijna geen impulsen van buiten meer kon krijgen en aangewezen was op een innerlijk dat vol spanning en vol kracht was.”