Hans Reil: Laat dogma’s in de orgelbouw varen

Minisymposium in Bodegraven. beeld Bert Wisgerhof
3

„Dogma’s in de orgelbouw moeten we laten varen.” Die boodschap gaf orgelmaker Hans Reil zaterdag mee aan de tachtig bezoekers van een minisymposium in de Bethelkerk van de gereformeerde gemeente te Bodegraven.

Reil was een van de sprekers over het thema ”Nieuwe ontwikkelingen in de orgelbouw?”. De lezingen werden afgewisseld door bespelingen van Hans Pors op het echte pijporgel van Reil in de Bethelkerk. Doel van het symposium was het uitwisselen van ideeën en het opdoen van inspiratie over de toekomst van het orgel.

„Wat is nieuw?” zo begon Hans Reil. Nieuw behoort volgens hem interessant en actueel te zijn. Routineus iets realiseren heeft geen structurele toekomst. Voor hem wortelt de toekomstige nieuwbouw van orgels in ervaring, vakmanschap, kennis en voortschrijdende inzichten. Hij wil die aspecten niet dogmatisch tegen elkaar afwegen en illustreerde dat met voorbeelden.

Zo moest in het compact ingerichte gebouw in Toyo Elwa (Tokio), waar veel activiteiten plaatsvinden, het orgel dat Reil moest maken niet in de weg staan. Vandaar dat het een hoekorgel werd waar „konijnen en hazen” niet tegenaan lopen. Architecten hebben volgens orgelbouwer ook zo hun voor- en nadelen. Eind jaren negentig kreeg Reil opdracht voor de bouw van een orgel in de St. Nikolaus Stiftskirche in Rosenheim (Duitsland). Tot aan de oplevering in 2009 kreeg hij te maken met vier architecten. Het orgel dat Reil in 1991 bouwde in de Dom van Stavanger (Noorwegen) werd in 2015 uitgebreid naar de muzikale praktijk in deze kerk. „Het gaat erom dat een orgel je moet raken. Het gaat om de klank. Die moet wat met je doen.”

Een niet orgel spelende particulier in Saint-Cyr bij Dijon (Frankrijk) wilde het orgelspel digitaal opgeslagen hebben om het later te kunnen terugluisteren. Voor het eerst in de orgelbouwbouwpraktijk van Reil werd daarvoor een midisyteem ingebouwd. „Dat vergde in het bedrijf de nodige uitleg.” In het Oostenrijkse Pulgarn (bij Linz) werd een orgel gerealiseerd naar het voorbeeld van de studiekopie van het Peter Gerritzorgel uit 1479 in het Orgelpark in Amsterdam. Weliswaar gecombineerd met Oostenrijkse elementen.

Het orgel in de Bethelkerk in Bodegraven is uitgerust met een nieuw ontwikkelde speelmechaniek en kreeg een klank die in lijn moest zijn met de kerk en de eredienst.

Erfgoed

Prof. dr. Hans Fidom, hoogleraar orgelkunde aan de Vrije Universiteit, sprak over ”Klank als Erfgoed”. Hij onderscheidde drie stromingen: historisch geïnformeerde orgels, het eigentijdse orgel en het mainstreamorgel.

De historisch geïnformeerde (liever dan georiënteerde) periode ziet Fidom beginnen in 1969, bij de Schnitgerherdenking in de Der Aa-kerk in Groningen. Hij vertelde daarbij de anekdote dat Wim van Beek in het volle werk even liet horen wat een geweldig Schnitgerorgel het was. Terwijl het voor een deel Van Oeckelen is!

In 1973 kopieerde Reil het Schnitgerorgel van Uithuizen voor de Julianakerk in Scheveningen. Een reconstructie met als doel te begrijpen hoe men voorheen zo’n orgel maakte. Het instrument dat door het Göteborg Organ Art Center werd ontwikkeld beoogde de productie van het Schnitgerorgel uit de Jacobikirche te Hamburg te reconstrueren.

Prof. Fidom vatte de historische stroming samen als in zichzelf gekeerd en conservatief. De kennis van deze cultuur noemt hij zeer divers. Sommige mensen die hierin actief zijn, zijn „conculega’s.” Bovendien wordt de kennis niet optimaal gedeeld. De in 2015 overleden orgeladviseur Cor Edskes wilde zijn kennis met niemand delen. Daardoor is veel kennis verloren gegaan.

De Vrije Universiteit richt zich de komende jaren op Sound Heritage (klank als erfgoed). Het thema is complex, aldus Fidom. „Als klank klinkt, dan klinkt ze altijd nu. We weten niet hoe klank vroeger klonk. Zo is het wijzigen van oude orgels om ze aan te passen aan de actuele smaak niet zonder gevaren.”

Het eigentijdse orgel (de tweede stroming) is een instrument met nieuwe technologie op het gebied van onder andere windvoorziening, klank en timing, zoals beschreven door de Amerikaan Randall Harlow (”The 21st-century hyper organ”). Een dergelijk instrument boort een nieuwe wereld aan. Volgens Fidom een interessantere wereld dan het luidsprekerorgel. Deze nieuwe ontwikkeling gaat ook niet aan het kerkorgel voorbij.

Het voorbeeld van een mainstreamorgel, een orgel waarop alle orgelmuziek gespeeld kan worden, met respect voor oude klankconcepten en waar componisten nieuwe muziek voor componeren, is het recent in gebruik genomen instrument van Klais in de Elbphilharmonie in Hamburg.

Als je klank als erfgoed wilt definiëren, moet je volgens Fidom eerst het klankconcept in kaart brengen, om van daaruit het orgel te begrijpen. Ook hoeft orgelbouw niet op gespannen voet te staan met nieuwe ontwikkelingen.

Tandarts

Op de vraag of historische orgels niet meer van deze tijd zijn, ging Wim Diepenhorst, orgelspecialist van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), in. Historische orgels worden beschermd omdat de materie moet worden beschermd en omdat het de beste bron is om ervan te leren. „Als niemand meer klompen maakt, gaat dat ambacht verloren.”

De monumentale waarde van historische orgels bepaalt de grens van aanpassingen ten behoeve van functieveranderingen en gebruiksgemak. Tot hoever mag je gaan? Een voorbeeld van een veranderende functie is het Strümphlerorgel in de lutherse kerk in Weesp. De kerk fungeert nu als tandartspraktijk. Tijdens de behandeling kan het voorkomen dat je naar orgelmuziek luistert.