Filosoof Jos Kessels over de muziek van het alledaagse gesprek

Jos Kessels. beeld uitgeverij Boom
2

Wie een gesprek voert, heeft niet het idee dat hij muziek maakt. Maar wie met een muzikale bril naar zo’n conversatie kijkt, ontdekt nieuwe dingen. Mensen blijken altijd op zoek te zijn naar harmonie. „Muziek is een belangrijke metafoor van het leven.”

Dat is in een notendop wat filosoof Jos Kessels (69) uit Amsterdam in ”Socrates, maak muziek!” betoogt. De titel van de uitgave, die gisteren verscheen, verwijst naar 25 eeuwen geleden. In een van de dialogen van de Griekse schrijver Plato vertelt diens leermeester Socrates dat hij zijn leven lang een steeds terugkerende droom heeft gehad. Daarin kreeg hij de opdracht: „Socrates, maak muziek en oefen je erin!”

Maar de wijsgeer uit Athene hád zijn hele leven de hoogste vorm van muziek beoefend: de filosofie. Waarom kreeg hij dan nu, in de gevangenis, veroordeeld tot de gifbeker, opnieuw die droom?

Was het misschien omdat hij de ‘gewone muziek’ te veel had verwaarloosd? De muziek van het volk? En betekende de droom misschien dat hij een betere verbinding moest zien te leggen tussen de hoogste en de lagere muziek? Tussen de onvergankelijke ideeën van de filosofie en de vergankelijke opvattingen van de gewone mensen? Laag en hoog, verheven en gewoon, ziel en lichaam: die horen immers in het leven allemaal bij elkaar? En pas wanneer die twee kanten met elkaar in verbinding worden gebracht, ontstaat er harmonie, ontstaat er muziek. Aldus Socrates.

Spiegel

Jos Kessels, die ook in eerdere boeken de ideeën van Socrates en Plato verwerkte, gaat in zijn jongste publicatie na wat deze droom van 2500 jaar terug voor ons betekent. Uitgangspunt daarbij is dat muziek volgens Kessels een metafoor is voor het hele bestaan: dagelijks zijn we druk met het afstemmen van tegenstellingen en zoeken we naar harmonie. „En daarvoor heb je ideeën nodig, want wat harmonieën zijn in de muziek, zijn ideeën voor het denken”, aldus de auteur.

Van daaruit trekt hij drie lijnen. De eerste: echte, werkzame ideeën zijn een vorm van harmonie. Omgekeerd is muziek, in de tweede plaats, een spiegel van die ideeën. Sterker: wie naar muziek luistert, krijgt deel aan die ideeënwereld. En vanuit die hechte relatie tussen filosofie en muziek komt Kessels tot zijn eigenlijke, derde punt: onze conversaties hebben ook zo’n muzikale structuur. Het is de kunst om in een gesprek, waarin soms allerlei dissonanten voorkomen, de harmonie te vinden.

Met zijn bureau Eidoskoop verzorgt Kessels denksessies waarbij managers en bestuurders het zogenoemde socratische gesprek aangaan. Hij beschrijft in zijn boek hoe hij te gast is bij een academisch ziekenhuis, waar allerlei netelige kwesties op tafel kwamen. Op enig moment begon het gesprek te ‘zingen’. „De grondtoon veranderde, er werd naar elkaar geluisterd, de gevatheid en het cynisme maakten plaats voor een houding van aandacht en onderzoek.”

Zo’n gesprek is voor Kessels een vorm van muziek. „De melodie verandert, er wordt gezocht naar harmonie, er ontstaat een geconcentreerde aandacht op boven- en ondertonen en wat begint als het onderzoek van een simpele kwestie, verandert geleidelijk in een gezamenlijk zelfonderzoek en een reconstructie van richtinggevende ideeën.”

Verbouwing

Ook in zijn privéleven ziet Kessels overal melodieën en muziek opduiken. Zo analyseert hij in hoofdstuk 3 een gesprek tijdens een familiebijeenkomst. Wat de een zegt vormt de grondtoon. Een ander stelt een vraag: de kwint. De aanvulling van een derde is de terts. Weer een ander zorgt voor de dissonanten. Het gezamenlijk bekijken van een YouTubefilmpje waar iedereen van onder de indruk is, wordt het moment van schoonheid en harmonie: het octaaf.

Zelfs bij de verbouwing van zijn huis, waarbij de communicatie tussen aannemer, architect en werkvolk te wensen overliet, zag Kessels een muzikale structuur oplichten. „Het hele proces riep bij mij het beeld op van Bachs fuga 24 uit het eerste boek van het ”Wohltemperierte Klavier”: het vreemde, onheilspellende begin, de merkwaardige stemvoeringen, de complexe, schijnbaar onmogelijke opbouw en uiteindelijk de verrassende, langzaam opdoemende harmonie.”

Gregoriaans

Kessels groeide op met muziek. „Er was altijd muziek thuis. Vanaf m’n achtste had ik pianoles, later ben ik in bandjes gaan spelen en participeerde ik dertig jaar in een jazzorkest.”

Ook het christelijk geloof was vanzelfsprekend. „Mijn vader dirigeerde het kerkkoor en was specialist op het gebied van de gregoriaanse zang. We zaten elke dag in de kerk.”

Daardoor was Kessels ook vertrouwd met de gedachte dat er meer is dan wat we zien, dat er ook een hogere werkelijkheid is. Maar van dat „dogmatisch wereldbeeld” nam hij afstand, schrijft hij.

U ruilde de christelijke wereldbeschouwing in voor de ideeënleer van Plato?

„Toen ik 15 was, heb ik besloten dat ik niet meer naar de kerk wilde. Ik vond het één grote poppenkast. Op aandringen van mijn ouders ben ik gedurende mijn middelbareschoolperiode blijven gaan. Daarna heb ik alles wat met religie te maken heeft met kracht van mij afgeworpen. Maar je raakt zoiets niet zo makkelijk kwijt; het komt na verloop van tijd toch weer terug. Vragen over wat je doet en waar dat toe leidt, komen terug. Ik heb er eindeloos naar gezocht. De ideeënleer van Plato is een antwoord, maar ”ideeën” klinken als iets onpersoonlijks. Toch, alles waar je je op een reële, gevulde manier toe verhoudt heeft iets persoonlijks. Het hoogste idee bij Plato is het goede. Hij lijkt grote moeite te doen om dat als niet-gepersonifieerd voor te stellen.

Overigens is de christelijke leer helemaal geënt op de ideeënleer van Plato. Er zijn mensen die zeggen dat theologen als Augustinus en Thomas van Aquino een simpele weergave van de platoonse ideeënleer hebben geboden. In ieder geval ga je bij beide uit van transcendentie, hoe je die dan ook construeert, die invloed heeft op het leven dat jij leidt.”

U slaat de brug tussen filosofie en muziek. Wat is het verband tussen die beide?

„Muziek is klinkende filosofie, de uitbeelding van ideeën. En filosofie is in zekere zin een vorm van muziek maken, alleen dan met taal: je articuleert wat je niet makkelijk onder woorden kunt brengen. Ik ben toen ik een jaar of 35 was gevallen voor de socratische methode. Daarbij ga je als filosoof de markt op om als een Socrates de mensen te ondervragen. Dat is wat we doen met ons bureau Eidoskoop. En dan zoek je, bijvoorbeeld bij een bedrijf, naar een bepaalde harmonie. Want het leven bestaat, net als muziek, uit harmonieën en disharmonieën. Muziek is dus een heel belangrijke metafoor van het leven.”

U voert een socratisch gesprek bij een bedrijf. Ontstaat er altijd harmonie?

„Natuurlijk ga je weleens weg bij een bedrijf terwijl je moet concluderen dat het gesprek is mislukt. Maar dat gebeurt niet vaak. Vaak zie je wel dat er bij mensen gedurende het gesprek een transformatie plaatsvindt. Er ontstaat inzicht. Wij komen overigens niet om problemen op te lossen, maar om inzicht te geven in wat er gebeurt. Wat is ergens de muziek? Trouwens, veel 20e-eeuwse muziek is bepaald niet harmonisch. Neem Schönberg met zijn 12-toonsmuziek. Daarin zijn juist de dissonanten zeer interessant.”

Door te luisteren naar muziek krijg je op een directe manier deel aan de ideeën, betoogt u. Veel niet-christelijke mensen zaten deze week weer bij de Matthäus Passion van Bach. Aan welk idee krijgen ze dan deel?

„Muziek en taal zijn verschillende betekenislagen. Het kan zijn dat mensen de tekstlaag als erg tijdgebonden ervaren, meer dan de muziek. Wat er gebeurt, is dat ze worden aangeraakt op een niveau dat niet zo makkelijk in taal is om te zetten. De emotie wordt geraakt. Ik beschrijf in mijn boek hoe ik bij een uitvoering van Bachs Hohe Messe zit. Bij sommige onderdelen werd ik daarin opgenomen. Het overkomt je. Plato zou zeggen: je ziel krijgt vleugels, net als wanneer je verliefd bent. Je herkent als het ware, zegt Plato, wie jouw god is, en je bent tijdelijk in staat om in het voetspoor van die god te volgen. Als je dat kunt, ben je in staat om ook een blik te werpen op de echte ideeënwereld. Maar om dit te verwoorden, moet je in poëtische taal spreken.”

Maar Bach wil, als gelovige lutheraan, in zijn geestelijke muziek een Bijbeltekst vertolken, zicht bieden op God.

„Inderdaad. Maar een niet-gelovige ervaart de muziek hetzelfde, terwijl hij die op een andere manier interpreteert. Hij zal er andere woorden aan geven. Ik heb de neiging om het woord transcendent te gebruiken. Je wordt opgetild, naar een ander niveau. Anderen zullen zeggen: Er gebeurt iets poëtisch. Een cantate of passion van Bach verwijst dus voor iedereen naar dezelfde ideeën, maar iedereen benoemt dat op een andere manier.”

Als het gaat om de muziek als nabootsing van de ideeën, schrijft u dat Bach voor u het sterkste richtsnoer levert. Waarom?

„Ik weet niet of ik dat kan uitleggen. Bachs muziek is voor mij het grote toonbeeld van het gesprek. Hij zat nog helemaal in de polyfone hoek, waarbij alle stemmen gelijkwaardig zijn. Bij Haydn of Mozart is dat al heel anders. Harmonie is dynamisch, alles is in beweging. Ook bij gesprekken in organisaties. In de polyfonie van Bach is dat op z’n mooist uitgewerkt. Bach staat voor mij op eenzame hoogte.”

U stelt aan het slot van uw boek de vraag of harmonie altijd te bereiken is. En?

„Het ideaal is nooit volledig te bereiken. Net als in de muziek: als je zuivere kwinten op elkaar stapelt, krijg je vals klinkende noten. Zuivere, puur wiskundige verhoudingen leiden in de muziek tot disharmonie en ontstemming. Door binnen een akkoord alle afstanden een klein beetje onzuiver te maken, de zogenaamde getempereerde stemming, krijg je harmonie. Dat geldt ook voor het alledaagse leven. Het streven naar absolute zuiverheid is de grootste boosdoener. We zullen in de praktijk de juiste mate van onzuiverheid toe moeten laten, om daarmee harmonie te creëren.”

Maak dat eens concreet...

„Ja, delicaat, hè? Wat laat je dan liggen? Wat relativeer je? Waaraan houd je vast? Musici hebben daar een zintuig voor. Als een cellist intoneert, vindt hij feilloos de juiste toon. De toon die de muziek maakt. Maar dat is niet zo makkelijk in woorden te vangen. Toen ik als muziektherapeut werkte, maakten we ook gebruik van elektronica. Daar kun je heel zuivere tonen mee maken. Ook de muziek van Bach. Maar het klinkt nergens naar. Dan is het menselijke eraf. Zo’n zuiverheid is een maatje te groot.”

---

Boekgegevens

Socrates, maak muziek!, Jos Kessels; uitg. Boom, Amsterdam, 2017; ISBN 978 90 5875 899 6; 311 blz.; € 25,-.