Blokfluitfabriek Aafab: van balkje tot instrument

Perenhout. beeld RD, Henk Visscher
10

Het lijkt een fluitje van een cent: een blokfluit maken. Maar dat is het niet. Dat blijkt in de werkplaats van de enige blokfluitfabriek van Nederland, Aafab in Utrecht.

Anton Cornelissen (64) werkt al meer dan veertig jaar bij Aafab. Hij laat in de werkplaats –net buiten het centrum van Utrecht– graag zien hoe een ruwhouten balkje een stralende ronde blokfluit wordt.

Op zolder ligt het hout. Toevallig deze keer een pallet balkjes uit Zeeland. „Iemand had z’n perenbomen gerooid en zag graag dat het hout nog ergens voor gebruikt werd.” Meestal komt dit hout voor de studieblokfluit echter uit landen als Oostenrijk of Zwitserland. De duurdere soorten –palissander, grenadil– hebben hun herkomst in Azië. En dan is er nog cederhout, voor het blok in het kopstuk. „Dat schimmelt niet als het nat wordt.”

Voordat het hout bewerkt kan worden, moet het eerst de droogkamer in. Zodat het vocht eruit getrokken wordt. Cornelissen pakt een gedroogde balk, een rib. Het hout gaat links de machine in en komt er rechts als ronde stok uit.”

Schillen

Beneden moet het hout eerst de „frituurpan” in. „De structuur is te open. Daarom wordt het hout 24 uur onder druk geïmpregneerd met paraffine.”

Vervolgens kan het echte werk beginnen. Met een boor wordt de ronde stok hol gemaakt. „Nu nog even schillen.” Cornelissen bewerkt de binnenkant zo, dat die conisch wordt: naar beneden toe loopt de opening taps toe. „Dat is belangrijk voor de klank.”

Nu moet het stuk hout z’n vorm krijgen. Een geavanceerde machine zorgt er in minder dan geen tijd voor dat de rechte stok de vorm van het onderstuk van een blokfluit krijgt, inclusief alle randjes en rondingen. Het begint erop te lijken!

Het onderstuk moet uiteraard toongaten krijgen. Op een carrouselboor kunnen twaalf stokken tegelijk worden geplaatst. Zeven toongaten aan de voorkant, duimgat van achteren. Eventueel een dubbele boring: twee kleine gaatjes voor de pink. Het luistert nauw: tot op een tiende van een millimeter wordt de plaats van het gat bepaald. Een afwijking hoor je direct.

Venster

Het kopstuk van de blokfluit is een verhaal apart. Een korter stuk hout krijgt eerst z’n buitenvorm en vervolgens twee ‘kamers’: het deel waar het onderstuk in past, en het deel waar straks het blok in moet.

Vervolgens freest een machine bovenop een klein venster. „Jammer dat je geen vierkante gaten kunt boren”, lacht Cornelissen. „Dat was een stuk makkelijker geweest.” Aan de binnenkant wordt vervolgens een windkanaaltje aangebracht.

Nu moet bij het venster het zogenoemde labium gestoken worden: het hellende vlak dat de windstroom verdeelt en waar de trilling ontstaat die geluid voortbrengt. „Dit komt heel krap”, zegt Cornelissen. „Want het labium bepaalt mede de klank. Daarom snijden we het altijd nog wat bij met een mesje. Het enige onderdeel in het proces dat we handmatig doen.”

Dan komt het onderdeel waar het instrument z’n naam aan dankt: het blok. Een cilindervormig stukje cederhout, net wat donkerder dan het perenhout. Als het precies op maat gemaakt en afgewerkt is, kan het van bovenaf in het kopstuk geperst worden.

Snavel

Het kleine windkanaal tussen de buitenkant van het kopstuk en het blok vormt nu de nauwe opening waarlangs de lucht van de mond naar het labium geperst wordt. Daar breekt de luchtstroom, waardoor die gaat trillen. Het werkt! Een heldere hoge toon klinkt door de werkplaats.

Eén ding nog: de snavel. Om het spelen te vergemakkelijken, wordt een ‘hapje’ uit de bovenkant gehaald: de tuit die in de mond gaat.

Nu het stuk met de toongaten eronder, en de blokfluit is compleet. Na wat schaven, schuren, lakken en polijsten is het proces in de werkplaats voltooid.

Verstopt

Maar ook Femke Vermaas (50) wil de blokfluiten nog graag even vasthouden voordat ze de verkoop ingaan. In de stemkamer controleert zij de betere instrumenten op klank. Is de toon helder? Is de stemming goed? Door het blok eruit te slaan kan ze, als dat nodig is, nog net wat bijvijlen of met een mesje bijwerken.

Vermaas, professioneel blokfluitiste en al 26 jaar werkzaam bij Aafab, doet ook de reparatie van blokfluiten van klanten. „Er kunnen haartjes op het blok zitten, of het instrument is vuil of zit verstopt. Soms doen klanten of hun docenten dat zelf. Maar ik raad niemand aan om zelf met mesjes aan de gang te gaan. Daarmee verknoei je je blokfluit.”

Cornelissen, met een glimlach: „Ze zeggen: het is een fluitje van een cent. Maar je hebt gezien dat dat bij blokfluitbouwen niet opgaat.”

---

video blokfluit

Aafab in Utrecht

Blokfluitspecialist Aafab in Utrecht gaat terug op het werk van Hans Coolsma, die wordt gezien als de vader van de Nederlandse blokfluit. Vanaf 1946 had deze aan de Oude Gracht in Utrecht de zaak In de Blokfluit, waar hij blokfluiten verkocht. Op aanraden van onder anderen de blokfluitist Frans Brüggen ging Coolsma vanaf 1960 zelf blokfluiten bouwen: eerst een studie-instrument (de Aura), later de soloblokfluit (de Coolsma).

Na het overlijden van Coolsma in 1989 ging de firma als Aafab verder (naar verluidt een fantasienaam om voor in het telefoonboek te komen) en verhuisden winkel en werkplaats naar de Jeremiestraat 4-6 in Utrecht. Sinds 1990 is Otto baron van Boetzelaer (1955), die woont op het buitenverblijf Eyckenstein in Maartensdijk, directeur van Aafab. Het bedrijf heeft momenteel zeven medewerkers in dienst.

Volgens Anton Cornelissen, die al meer dan veertig jaar bij het bedrijf werkt, worden er momenteel per jaar zo’n 7000 sopraanblokfluiten, zo’n 500 solo-instrumenten en zo’n 100 sopranino’s gebouwd. In de jaren 70 maakte de fabriek, waar toen bijna twintig mensen werkten, nog 30.000 sopranen en 20.000 alten, weet Cornelissen. „Kinderen spelen geen blokfluit meer.”

Behalve de Aura en de Coolsma maakt Aafab ook de Dolmetsch, een Engels merk dat het Utrechtse bedrijf heeft overgenomen. Recent bracht Aafab de vierkante bas van multiplex (gekscherend de IKEA-bas genoemd) in een eigen uitvoering op de markt.

De blokfluiten van Aafab gaan de hele wereld over. Daarnaast is de Utrechtse fabriek leverancier van buitenlandse merken zoals Zamra, Moeck, Yoav Ran en Paetzold.

Blokfluiten zijn er in allerlei toonhoogtes: hoe langer het instrument hoe lager de toon. De sopranino is de kleinste met de hoogste toon, de subbas de langste met de laagste toon. Al naar gelang de maat, het gebruikte materiaal (zoals kunststof, esdoorn, perenhout, palissander, grenadil, Europees buxus) en het merk lopen de prijzen van blokfluiten in de winkel van Aafab uiteen van 15 euro voor een kunststof Auro-studiesopraan tot 5890 euro voor een handgebouwde vierkante subcontrabas in berken multiplex van Paetzold.

Meer informatie: www.aafab.nl