Koelman-biografie deze zomer verwacht

VEENENDAAL – Ds. C. J. Meeuse, predikant van de gereformeerde gemeente te Apeldoorn, sprak zaterdag tijdens de wintercursus van de Stichting Studie der Nadere Reformatie (SSNR) over Jacobus Koelman, predikant te Sluis. „Het lijkt wel of er een vloek ligt op de stad waar in de zeventiende eeuw zo’n bloeiende kerk was.” Foto Jan Rozendaal Jan Rozendaal

Ds. Jacobus Koelman richtte zich na zijn verbanning uit Sluis volledig op de uitgave en vertaling van zijn werken, waarvan er 93 in druk verschenen. Door speurwerk van ds. C. J. Meeuse is er nu een actuele lijst van Koelmans werken.

Ds. Meeuse kondigde zaterdag tijdens de wintercursus van de Stichting Studie der Nadere Reformatie (SSNR) aan deze zomer te komen met een biografie over de verbannen predikant (1631-1695), die zich zijn gehele leven predikant van Sluis bleef noemen.

„De begraafplaats van Sluis ligt er verlaten bij”, zei ds. Meeuse. „De mensen laten er hun honden uit. De burgemeesters die het Koelman zo moeilijk hebben gemaakt, nadat hij hen onder censuur zette, liggen nu onder de uitwerpselen van honden en te midden van de knekels van paarden uit de Franse tijd. Het lijkt wel of er een vloek ligt op de stad waar in de zeventiende eeuw zo’n bloeiende kerk was.”

Koelman staat bekend om zijn ijveren voor een nadere reformatie. Al in 1656, bij de uitgave van zijn eerste vertaalde werk -”De strijd tussen vlees en geest” van Christopher Love - is dit streven duidelijk merkbaar. „Met verwijzing naar Gods kastijding in de achterliggende tijd (het is de tijd van de Engelse oorlogen) wekt hij op tot reformatie van land en volk. Deze moet beginnen in de kerk en dan allereerst bij Gods dienstknechten, de predikanten. Daar hijzelf nog studeert, wil hij zich allereerst wenden tot zijn medebroeders, de studenten in de theologie, die helaas de oefening van de ware godzaligheid maar weinig betrachten en de kracht ervan ternauwernood schijnen te kennen.”

In zijn gemeente in Sluis (Vlaanderen) krijgt Koelman problemen met de landelijke overheid over het vieren van de kerkelijke feestdagen en het gebruik van de formulieren voor doop en avondmaal. Staats Vlaanderen viel onder de Staten-Generaal en niet onder de provincie Zeeland. Het was een apart stukje Nederland.

Ter bevordering van het geestelijk leven achtte Koelman het gezelschapsleven nuttig. „Er waren in zijn tijd nogal wat personen die dat gevaarlijk vonden en ondermijnend voor het ambtelijke gezag”, aldus ds. Meeuse. „Maar Koelman noemt het ”satanswerk” om gezelschappen tegen te houden en ziet het als een bevel van God om ook deze onderlinge bijeenkomsten niet na te laten.”

Ook dit nam de overheid, maar vooral de kerk de ijveraar voor nadere reformatie niet in dank af. Ds. Meeuse: „Ik denk dat de hevigste botsingen met de overheid hadden te maken met de bemoeienis voor wat betreft kandidaatstelling van ouderlingen, diakenen en predikanten.

Verder betrof het ook de kerkelijke tucht. Koelman wilde het leven gekerstend zien. Hij zette mensen onder censuur. Er stonden soms tientallen personen tegelijk onder de kerkelijke tucht in zijn gemeente. Hierin handelde Koelman zonder aanzien des persoons.”

Ds. Meeuse bestrijdt de opvatting dat Koelman te rechtlijnig was. „Ik denk dat hij heel getrouw zijn plicht heeft gedaan. Bijzondere zegen op zijn werk zag de predikant in 1672 toen tientallen mensen in Sluis tot bekering kwamen.”

Koelman schrijft over die periode dat er ook in veel kinderen onder de twaalf jaren bijzondere blijken van genade gevonden werden.

Kort hierna werd de predikant uit Sluis verbannen. Voortaan zwierf hij door Nederland, meestal verblijf houdend in Rotterdam en Amsterdam. Frappant is dat hij in Rotterdam geen aansluiting zocht bij de gereformeerde kerk waarvan hij lid was, maar bij de Schotse kerk, waarvan zijn vriend Robert MacWard scriba was.

In de tiende wintercursus van de SSNR staan vijf nadere reformatoren centraal onder het thema ”Uit de mond der kinderen… Opvoeding in de Nadere Reformatie”. Naast Koelman betreft dit Fruytier, Wallenkamp, Wittewrongel en De Swaef.