Wintercursus SSNR: Puriteinen hielden zich niet zo bezig met Joden

beeld ANP, Paul Stolk

De puriteinen hebben mooie dingen over de toekomst van Israël gezegd, maar ze hielden zich niet bezig met het Joodse volk. Dat stelt dr. R. J. van Elderen.

De predikant van de gereformeerde kerk Bunschoten-Spakenburg sprak zaterdag tijdens de wintercursus van de Stichting Studie Nadere Reformatie (SSNR) in de Adventkerk in Veenendaal. Het thema is dit jaar ”Israël en de volken: visie op de toekomst van Israël in Reformatie, puritanisme en Nadere Reformatie”.

Dr. Van Elderen is in 1992 gepromoveerd op het proefschrift ”Toekomst van Israël”, waarin hij ingaat op de mening van de Engelse protestanten over de Joden in de periode 1547-1670. Hij concludeert dat de puriteinen geloofden in de bekering van Israël, maar dat er weinig concrete aandacht voor de Joden was. Die stelling herhaalde hij zaterdag.

De visie van de reformatorische kerken in Engeland op de Joden verschilde in de zestiende eeuw van die van reformatorische kerken in de rest van Europa, betoogde dr. Van Elderen. Dat had veel te maken met de opvatting van twee kerkhervormers die in Engeland benoemd werden tot hoogleraar in de theologie: Peter Martyr Vermigli (1499-1562) in Oxford en Martin Bucer (1491-1551) in Cambrigde. Zij geloofden dat de woorden „geheel Israël” in Romeinen 11:26 betrekking hadden op de nog komende bekering van het volk van de Joden. Veel andere reformatorische theologen dachten bij die tekst aan het tot geloof komen van alle uitverkoren.

„Door deze benoemingen is hoogstwaarschijnlijk hun uitleg van Romeinen 11:25 en 26 in Engeland tot de algemeen aanvaarde geworden”, aldus dr. Van Elderen. „Vermigli’s vertaalde commentaar was het eerste werk in het Engels dat de verwachting van de bekering van de Joden uiteenzette.”

In hun voetsporen gaven veel puriteinen er blijk van te geloven in een toekomstige bekering van de Joden. Een van hen was William Perkins (1558-1602). Van Elderen noemde ook Thomas Brigtman (1562-1607) die, behalve een bloeitijd van de kerk en de bekering van de Joden, de terugkeer van de Joden naar hun land verwachtte.

Die belangstelling voor de bekering van de Joden betekende echter niet dat men ook positief was over de toen levende Joden. „Over de Joden op zich wisten zij bijna niets goeds te noemen. Elke positieve waardering van hen bleef voorwaardelijk: op voorwaarde van bekering.”

Er kwam volgens de predikant geen fundamentele verandering in het beeld van de Joden, omdat men geen of weinig contact met hen had. „Men formuleerde opvattingen over hen die los stonden van de feitelijke kennis en bleef hen beschouwen als vijanden van het christelijke geloof, die door God verworpen waren zolang zij volhardden in het in het niet erkennen van Jezus als de Messias.”

Dr. Van Elderen concludeerde verder dat er geen duidelijk verband bestond tussen de verwachting van de terugkeer van de Joden naar Kanaän en de verdediging van hun toelating tot Engeland. Slechts een klein aantal theologen pleitte voor de toelating van Joden tot Engeland. „Van een omvattende en samenhangende verdediging van de Joden door de Engelse puriteinen is geen sprake. Het enige onderwerp waar ze met betrekking tot de Joden aandacht aan besteedden, was de bekering van de Joden. De meeste Engelsen zagen de Joden liever terugkeren naar Kanaän dan naar Londen komen.” Zijn conclusie was dat de opkomst van het puritanisme niet geleid heeft tot een radicaal nieuwe benadering van de Joden.

In antwoord op een vraag na de lezing noemde hij het plaatje van het puritanisme in relatie tot de Joden ontluisterend. „Toen de politieke verwachtingen veranderden, golfde de visie van de puriteinen op de Joden mee en zakte de verwachting in.”