Peter Böhler, geestelijke leidsman van John Wesley

Peter Böhler. Foto Wikimedia Wikimedia
3

„Mijn broeder! Mijn broeder! Die filosofie van u moet worden weggedaan!” Deze woorden sprak de Duitse hernhutter Peter Böhler (1712-1775) eens tot de Engelse theoloog John Wesley (1703-1791).

John Wesley en zijn broer Charles hadden geen heilszekerheid en tastten daarover in het duister. Zij vonden geen rust in hun godsdienstige activisme. Böhler bracht hen in aanraking met de lutherse leer van de rechtvaardiging door het geloof. De beide Wesleys moesten hiervoor vallen om rust te vinden in het volbrachte werk van Christus.

Böhler was een discipel van de graaf von Zinzendorf, de stichter van de hernhutters. Deze piëtistische opwekkingsbeweging uit de eerste helft van de 18e eeuw had ook in Engeland invloed hadden. Böhler werd op 31 december 1712 in Frankfurt aan de Main geboren, dit jaar 300 jaar geleden.

Strarre scholastiek

In het geboortejaar van Böhler stond het gedachtegoed van Luther in Duitsland onder spanning. Zowel het starre scholastieke denken als de beginnende verlichtingstheologie beheersten de universiteiten en de prediking op veel kansels.

Peter was het vierde kind van de brouwer Johann Konrad Peter Böhler. Na zijn schooltijd in Frankfurt ging hij in 1731 naar de universiteit van Jena. Zijn vader wilde dat hij medicijnen zou gaan studeren, maar Peter gaf de voorkeur aan theologie.

In Jena maakte hij kennis met Nicolaus Ludwig von Zinzendorf (1700-1760) en Johann Georg Walch (1693-1775). Deze brachten hem in aanraking met de piëtistische stroming waarvan Philip Jakob Spener (1635-1705) de geestelijk vader was. Het piëtisme beoogde de doorwerking van de Heilige Geest in hart en leven. Hierbij ging het zowel om doorleefde (innerlijke) vroomheid als om praktische vroomheid.

Bij Spener ging deze aandacht voor heiliging niet ten koste van de noodzaak van rechtvaardiging door het geloof. Als zodanig ging Zinzendorf in diens spoor.

Böhler leerde mede door de invloed van Zinzendorf Christus als zijn persoonlijke Zaligmaker kennen. De wetenschap met God verzoend te zijn, wekte hem op om medemensen voor Gods genade te winnen.

Moravische Broeders

Böhler voegde zich na zijn studietijd bij de hernhutters, een geloofsgemeenschap die op het landgoed van Zinzendorf in Oberlausitz (Saksen) was gevormd door Moravische vluchtelingen. Deze zogenoemde Moravische Broeders waren afkomstig uit een gebied in het huidige Tsjechië, waar zij bloedig waren vervolgd. De wortels van deze broederschap lagen in de beweging van Johannes Hus (ca. 1369-1415), een van de voorlopers van de hervorming.

De Moravische Broeders vonden een veilig onderkomen op het landgoed van graaf von Zinzendorf. Zinzendorf gaf op ”Herrnhut” (de Heere houdt de wacht) leiding aan een steeds groter wordende kolonie van Moraviërs, luthersen en ook wel sektarische vluchtelingen. Bij alle verschillen in de kolonie probeerde de graaf de lutherse leer te handhaven. De Augsburgse Confessie was voor hem een leidraad om dat te bewerkstelligen, maar geen bindende regel. Ook Böhlers geestelijke leven werd zodoende gestempeld door de lutherse genadeleer.

Als reactie op het verkrampte dogmatische en scholastieke denken van veel lutheranen was Zinzendorf beducht voor elke vorm van confessionele binding. Hij erkende alleen de Bijbel als richtsnoer. Wel gaf hij ruimte voor mystieke invloeden, die zijn luthers getinte genadeleer mede vorm gaven.

Zijn passie voor het Evangelie sprak velen in Duitsland en in andere landen aan. Ook in Engeland werd hij bekend. Daar ontstonden Moravische geloofsgemeenschappen die nauw betrokken waren bij de opwekkingsbewegingen die onder leiding van John Wesley en George Whitefield zouden plaatshebben.

Priester

Zinzendorf had Böhler geen speciale taak op Herrnhut toebedacht. Eerst was hij een tijdlang mentor van de oudste zoon van de graaf en daarna werd hij uitgezonden naar Georgia, een Engelse kolonie in Noord-Amerika. In december 1737 had Zinzendorf Böhler geordend tot priester, een ambt dat evenals dat van bisschop in de hernhutter broedergemeenschap was ingevoerd.

Toen Böhler het jaar daarop in Savannah in Georgia aankwam, ontmoette hij daar de gebroeders Wesley uit Engeland. Deze waren in 1735 naar Georgia gegaan om er zendingswerk te doen. Zij deden dit echter meer uit onvrede in hun gemoed dan uit bewogenheid met de indianen. In plaats van de indianen te bekeren zagen zij in dat zijzelf bekeerd moesten worden.

Gesprekken met de rechterhand van Zinzendorf, August Gottlieb Spangenberg, die met hetzelfde zendingsdoel naar de Engelse kolonie was gekomen, overtuigden hen er des te meer van dat zij de ware vrede met God misten.

Londen

Ook in Londen was in die tijd een Moravisch gezelschap gevormd door aanhangers van Zinzendorf. Peter Böhler gaf hier van februari tot mei 1738 leiding aan. Hij ontmoette hier opnieuw de Wesleys, die uit Amerika waren teruggekeerd. Zij waren terneergeslagen en wisten niet hoe zij verder moesten. Böhler trof Charles „erg bedroefd in zijn gemoed” aan: „Hij weet niet hoe hij moet beginnen om de Zaligmaker te leren kennen.”

Het viel de Duitser op dat de anglicanen sterk de nadruk legden op de liturgie en allerlei kerkelijke vormen. Ook stoorde het hem dat de Wesleys zo gehecht waren aan het Algemeen Gebedenboek uit 1662. Toen Charles ernstig ziek werd, zo ernstig dat het erop leek dat hij ging overlijden, verzekerde Böhler hem dat hij nu niet zou sterven.

De Duitse hernhutter confronteerde de beide Engelse geestelijken, die verstrikt waren geraakt in het net van hun eigen redeneringen, met de radicaliteit van hun verlorenheid. Hij verzekerde hun dat hun pogingen om door goede werken hun natuur te verbeteren niet zouden baten. Het ontbrak hun aan het ware geloof in Christus. Zij begrepen niet wat de aard van het rechtvaardigend geloof was en verwarden deze met een gevoelservaring. Böhler overtuigde hen van hun ongeloof.

John Wesley kwam zo ver dat hij wilde stoppen met preken omdat hij het ware geloof miste. Maar Böhler adviseerde hem om „te preken totdat u het geloof hebt en dan zult u het geloof preken.”

Opwekking

In navolging van de activiteiten op Herrnhut waren er ook in Londen gebedsdiensten gehouden. In mei 1738 richtte Böhler een Moravisch getint gezelschap op in de Fetter Lane. Deze ging de geschiedenis in als de Fetter Lane Society. Deze samenkomsten maakten op de beide Wesleys veel indruk. Er werd gebeden om een opwekking, maar hoe konden zij meebidden als zij zelf geen heilszekerheid hadden?

Böhler zag hoe dat zij tobden doordat ze steeds op zichzelf werd teruggeworpen. Zij probeerden het geloof als uit hun eigen ingewanden voort te brengen en zagen niet in dat het geloof buiten zichzelf ziet op het volbrachte werk van Christus.

Charles Wesley en zijn vriend William Holland begonnen de Galatenbrief van Luther te lezen die de Moraviërs hadden aangereikt. Beiden kwamen door dit onderwijs tot volle doorbraak in het geestelijke leven. Dankzij het voorlezen van het voorwoord van Luther op zijn commentaar op de Romeinenbrief leerde ook John tijdens een samenkomst in de Aldergate Street op 24 mei 1738 alleen op Christus te vertrouwen.

Anglicaanse Kerk

Dankzij de invloed van Böhler werd de Fetter Lane Society steeds meer een Moravisch gezelschap. Zinzendorf, die vanuit Berthelsdorf bij Herrnhut in Saksen leidinggaf aan de broedergemeenten, kwam met de aartsbisschop van Canterbury overeen dat de Moravische gemeenschappen in Engeland en in de Amerikaanse koloniën deel zouden uitmaken van de Engelse staatskerk. Hij wilde geen apart kerkverband stichten, maar beoogde niets anders dan de doorwerking van het opwekkingswerk, dat in de Moravische gemeenschap in Herrnhut en Berthelsdorf was begonnen.

De contacten die de Wesleys met de hernhutters onderhielden werden na hun geloofsdoorbraak intensiever. Toch werden zij op den duur wat kritischer op deze beweging, die in excessen verviel. De methodistische beweging die de Wesleys gingen leiden, maakte zich los van het Moravische gezelschap in Londen en ging een eigen weg. De aanhangers vonden dat bij Böhler en Zinzendorf de rechtvaardiging zo centraal stond dat men aan de heiliging niet meer toekwam.

Böhler bleef niet lang in Engeland, omdat hij werd aangesteld als zendeling onder de zwarte slaven in de Amerikaanse koloniën. Daar stichtte hij enkele nederzettingen in Pennsylvania. In Engeland verzamelde hij aanhangers met de bedoeling de Moravische gemeenschappen in Amerika te versterken. Deze groep van emigranten werd de Sea Congregation genoemd. Zij vestigden zich in 1742 in Bethlehem in Pennsylvania.

Bisschop

Zes jaar later werd Böhler door Zinzendorf tot bisschop geordend. Enkele jaren later ging hij weer naar Engeland, omdat hij was benoemd tot superintendant van de Moravische kerkgemeenschap in dit land. Na nog eens naar Amerika gegaan te zijn, stelde hij in Engeland orde op zaken. Hij had hier goede contacten en beschouwde de Anglicaanse Kerk als een zusterkerk van de Moravische. Zo wisselde hij reizen naar Amerika af met activiteiten in Engeland. Zijn laatste bezoek aan Engeland was in 1775. Böhler overleed op 27 april van dat jaar in de leeftijd van 62 jaar.


De Aldersgate Streetervaring van John Wesley

„’s Avonds ging ik tegen mijn zin naar een gezelschap in Aldersgate Street, waar iemand het voorwoord van Luther in zijn verklaring van de Romeinenbrief voorlas. Om ongeveer kwart voor negen beschreef de leider de verandering die God in het hart werkt door het geloof in Christus. Toen voelde ik dat mijn hart wonderlijk verwarmd werd. Ik voelde dat ik op Christus alleen tot zaligheid vertrouwde. Ik ontving de zekerheid dat Hij mijn zonden, zelfs de mijne, had weggenomen en mij van de wet der zonde en des doods had verlost.”

(John Wesley in zijn journaal van 24 mei 1738.)