Vermaak in God

Psalm 41:5b

„Genees mijn ziel!”


Deze genezing van een zondaar is hier altijd nog maar ten dele. De ziel zal nog steeds over zonde en onreinheid te zuchten hebben, tot aan zijn dood toe.

Maar dan, als de dood komt, zal de ziel volkomen genezen en ontheven worden van alle zonde en onreinheid. Hij zal naar die plaats gaan waar geen Izaäk meer blind en geen Jakob meer kreupel is en waar geen inwoner meer zal zeggen: „Ik ben ziek.” Daar zal niemand meer te klagen hebben over zijn zonde of over enig gebrek.

Er zijn mensen die zeggen: „God zal in mij het werk moeten beginnen en mij moeten genezen. Daarom helpt het mij niets of ik mijzelf pijnig. Daarom zal ik maar wachten totdat de Heere Zich over mij ontfermt. Het is onnodig om mij tot mijn plicht te ver­manen.”

Hierop antwoord ik: „O mens, spreek toch niet zo. Schuil niet achter uw onmacht, maar val daarmee liever voor de Heere neer en houd u biddend in de weg der middelen.” Ik zeg niet dat u uzelf kunt genezen, maar dit zeg ik u wel dat ik u zeer wil aanraden om tot het badwater te komen, waar al duizenden personen zoals u genezen zijn geworden. Hoewel u ook niemand hebt om u in dat badwater te werpen, zo is het evenwel uw roeping om aan de kant daarvan te gaan liggen.

Wulfert Floor,
landbouwer te Driebergen

(”Al de eenvoudige oefeningen”, 1914)