Tot Gods eer

Filippenzen 1:27a

„Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus.”

De gelovigen moesten het tegendeel tonen van wat de ongelovigen van hen lasteren, opdat door hun woord en hun wandel degenen die buiten zijn steeds meer gewonnen mochten worden. Zo spreekt de apostel tot de gelovigen en zo drukt hij met een geweldige overtuiging de plicht waarvan wij spreken op het gemoed. Er is geen twijfel over dat onze gewetens wanneer wij deze zaak recht overwegen, terstond ten volle zullen overtuigd worden dat het zo behoort. Of wij miskennen met ons leven dat onze godsdienst zijn oorsprong van God heeft, of wij zoeken in het Evangelie onze zaligheid niet, zodat onze roem in Christus niet oprecht is. Laat toch iedere christen in zijn staat en zijn beroep toezien dat hij deze plicht behartigt, in navolging van allen die Gods heilige waarheid oprecht met het geloof gemengd hebben en die met die van Thessalonica zó gewandeld hebben dat het Woord Gods door hen is verheerlijkt geworden (2 Thessalonicenzen 3:1). Daardoor zijn zij dan ook een eer van Jezus Christus geweest, zoals de apostel van Titus en anderen in zijn brieven getuigt (2 Korinthe 8). Van de gelovigen in Rome wordt gezegd dat zij Gode, dat is tot heerlijkheid Gods, geleefd hebben, voor zover als zij gehoorzaam waren het voorbeeld der leer tot welke zij waren overgegeven, Rom. 6:17, en in nieuwigheid des levens wandelden.

Abraham van de Velde,

predikant te Middelburg

(”Wonderen des Allerhoogsten”, 1669)