Dr. Wentsel hoopt op sneeuwbaleffect onder bidders

Dr. Ben Wentsel. beeld Sjaak Verboom

Veel kerken waar dr. Ben Wentsel heeft gepreekt, zijn al lang en breed gesloten. Hij snapt nog steeds niet hoe de kerkverlating zo snel om zich heen kon grijpen. Maar zo makkelijk als de secularisatie kwam, zo snel kan de Almachtige Zich ontfermen. „De laatste jaren van mijn leven wil ik wijden aan het gebed om een reveil.”

Uit de flat aan de rand van Den Haag zijn maar zeven mensen kerkelijk. „Waarom gaat de rest niet?” zo vraagt hij zich af.

Voor een antwoord slaat hij Mattheüs 24 op. „De liefde van velen zal verkillen”, leest hij. „Hier zegt Jezus het oordeel aan.”

U schreef eens: Secularisatie is het missen van de liefde. Wat bedoelt u daarmee?

„Als je geen liefde hebt, loop je niet meer warm voor God en ook niet voor een ander. Veertig jaar na de brief aan Efeze van Paulus schreef Johannes in Openbaring 2: Jullie hebben de eerste liefde verlaten. Elke pastor moet veel liefde hebben voor de kleinste in de gemeente.”

In de Bijbel met grote letter slaat Wentsel een bladzijde om en wijst op de „getrouwe dienstknecht” die op zijn post bleef. „Daarop volgt de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden. Die moeten de olie van de liefde laten branden. Vervolgens krijg je de gelijkenis van de talenten.

Let erop dat dit allemaal volgt op de aankondiging van het gericht. We moeten dus niet in het oordeel berusten, maar onze talenten inzetten. Voor mij is dat het gebed dat de hemel zich ontfermt. Daar wil ik de laatste jaren van mijn leven aan wijden.”

Schrijven is zíjn talent, ontdekte Wentsel. „Ik was me nooit bewust van deze capaciteiten, totdat ik in 1970 een cum laude voor mijn proefschrift kreeg.”

Wentsel

Zijn ”Keer om Europa” uit 2016 bevat veel gebeden. „Dat boek is niet bedoeld om in de kast te zetten, maar om te gebruiken in het gebed. Het liefst in groepen. In de kerkdienst kun je niet uitgebreid bidden om een reveil. Daarom is het nodig dat kerkleden hiervoor bij elkaar komen. Ik hoop op een sneeuwbaleffect onder bidders.”

In de Bijbel komt hij veel oplevingen tegen. „Onder Samuël was er een reveil. Dat zie je terug bij de koningen. Johannes de Doper vroeg te midden van de dode orthodoxie of er liefde was. En bij Pinksteren zien we hoe geestelijk doden worden opgewekt.”

In de geschiedenis gaat dit door. „Teellinck zag dat de mensen wel gereformeerd waren, maar niet bekeerd. Dat herhaalde zich bij Da Costa en zijn leerlingen. Na elke twee generaties hebben wij blijkbaar een soort reveil nodig. Ook het RD zie ik als een stem voor zo’n reveil.”

In alle opwekkingen ziet hij vaste patronen. „Persoonlijke prediking, volhardend gebed en een christelijke levenswandel.”

Pas op latere leeftijd ontdekte Ben Wentsel dat hij zelf kind is van de beweging die de naam Reveil draagt. „Mijn vader stamde uit zowel de Afscheiding als de Doleantie. Aan de ene kant klonk de vraag: „Ben je wel bekeerd?”, aan de andere kant gold ”Christus’ koningschap over de hele wereld”. Met beide credo’s zijn wij opgevoed.”

Wentsel zag hoe de evangelischen een herleving probeerden te brengen. „Maar geen enkele kerk heeft hierdoor de koers gewijzigd.”

In een hoek van de werkkamer staat een bidstoel. Daar begint hij zijn werkdag. Om God te vragen om opening. Dan zet hij zich aan de schrijftafel. Als er iets op papier komt wat de moeite waard is, zet hij zich achter de piano om God te danken.

Hier schreef hij ook zijn voorbereiding op dit gesprek. „Gebed doen”, staat erboven gekrabbeld. Bij het afscheid is er een lied om samen te zingen.

Boven de bidstoel hangt in zwart-wit de ”brede en smalle weg”. Die plaat weerspiegelt zijn boodschap tijdens zijn bijna 65-jarige predikantschap. „Ik heb in elke preek geprobeerd de sleutelen van het hemelrijk te bedienen. In Christus is behoud, maar nooit zonder geloof. Het oordeel is ook waar, maar mag nooit de hoofdzaak zijn.”

Dit mist hij bij veel jonge predikanten. „Die maken aardige preken, maar worden ook de sleutelen bediend? Menige theoloog stelt dat Christus voor allen het oordeel heeft gedragen en dat het er weinig toe doet of we dit geloven. Maar Christus benadrukt geloof en bekering.”

Preken doet hij nog af en toe. „Afgelopen zondag nog, in een verzorgingstehuis in Voorburg. Ik heb altijd veel werk gemaakt van mijn preken. Ik preekte ook lang – zeker wel een halfuur. Ik durfde nooit uit het hoofd te preken. Ik was bang dat ik iets zou zeggen wat niet te verantwoorden was. Toch las ik niet, maar verkondigde de uitgeschreven preek.”

Met zijn naar voren gekamde haar is Wentsel een herkenbare verschijning. Een „Romeinencoupe”, noemt hij het. Zijn geboortedag op 13 juli deelt hij met Julius Caesar, een van de grondleggers van het Romeinse Rijk.

Sinds twee jaar is hij weduwnaar. Met zijn vrouw betrok hij de ruime flat toen zij niet meer kon traplopen. Hij mist haar nog dagelijks. „God is er wel bij, dat wel, maar ik heb geen huisgenoot. Mijn vader woonde ook een tijd alleen in de pastorie. Misschien moet ik leren om alleen te zijn en zo de rijkdom van de omgang met de Vader en van het huwelijk dieper ontdekken.”

U trouwde laat: toen u 41 was. Zou u dat weer doen?

„Je kunt tegenslag hebben”, zegt hij mijmerend. „Dat is ook leiding.” En dan met een glimlach: „Hoewel ik die vrijheid toch ook heerlijk vond.”

Dagelijks leest dr. Wentsel drie kranten. Het thema voltooid leven is niet aan zijn aandacht ontsnapt. „Je leven is voltooid als je je laatste vrucht hebt gedragen. Eigenmachtig het leven beëindigen, is echter een dubieuze zaak. Niemand kiest om geboren te worden, en zo mag niemand kiezen om te sterven. Er blijft een hand boven je. Ik vrees dat een wet die stervenshulp mogelijk maakt, een moedeloze stemming bevordert.”

Herkent u het gevoel de laatste vrucht gedragen te hebben?

„Nee, maar eens komt dat moment. Dat voel je wel aan, denk ik. De Heilige Geest geeft je wenken.”

De 87-jarige Wentsel denkt vaak na over het toekomende leven. „Je hoopt de heerlijkheid te beërven. Het aanschouwen van God zal het grootste wonder zijn. Er zal ook een zekere herkenning van andere mensen zijn, maar wel anders. De discipelen herkenden Jezus ook niet direct.”

Als u die 87 jaar zou mogen overdoen, zou u dan dezelfde keuzes maken?

„O ja. Ik zou weer theoloog worden. Mijn wieg stond in een huis waar het dienen van God de kern was. Dagelijks lazen we driemaal uit de Bijbel. En de theologie was het hoogste wat er bestond.

Ik groeide op in de gloriejaren van de Gereformeerde Kerken. Maar de Vrijmaking wierp daar in 1944 een schaduw over. Je moest er een studie voor doen om te begrijpen waar het om draaide.”

Het was een „heerlijke tijd” toen hij in 1953 werd bevestigd als predikant. „Ik had geen twijfels. Ik beleed gewoon de gereformeerde leer. Bijbel en belijdenis zijn voor mij altijd nog genoeg. Niet dat er aan de Drie Formulieren geen aanpassingen mogelijk zouden zijn, maar de hoofdzaken blijven overeind.”

Na die gloriejaren kwam de afbraak. Wat heeft dat met u gedaan?

Verbouwereerd: „Het is me altijd nog een raadsel wat er toen gebeurd is. Tot 1970 was er groei en bloei. Maar nu zijn er alleen in Den Haag al veertig kerken gesloten.

Gisteren vroeg ik een groepje jongelui: Wat is de opstanding? En wat vier je met Pasen? Niemand snapte het. Het is veel erger dan we denken.”

Toch ziet u er niet teleurgesteld uit, maar eerder opgewekt en vrolijk.

„Dat ben ik vanuit het besef dat Gods Geest groter is dan de tegenkrachten. Hij weet van de afval. Niettemin doet de zaak me veel verdriet. Ik heb niet hard gewerkt om te zien hoe de kerk wordt afgebroken.”

In de bevindelijke richting van de kerk was er altijd een aarzeling richting de gereformeerden, vanwege de veronderstelde wedergeboorte. Hoe ziet u dat?

„Mijn vader zei: Je mag gedoopte kinderen wel houden voor wedergeboren, maar de eis van bekering blijft. Je mag geen valse gerustheid kweken. Het valt te vrezen dat velen zonder bekering in die traditie leefden. Anders kan ik de afval niet verklaren.”

Kunt u in uw eigen leven een ommekeer aanwijzen?

„Aan het begin van mijn theologiestudie zei professor Wurth in een rede: Als je niet geroepen bent om dominee te worden, dan kun je beter naar huis gaan. Die woorden hebben me veel gedaan. Toen ik eenmaal predikant was, vroeg ik me bij de preekvoorbereiding altijd af: Heb ik daar zelf deel aan?

Daarom is de theologie ook geen zakelijke wetenschap. Vandaar die gebeden en dankliederen in mijn boeken. Als theoloog ben je kind van God en geef je Hem de eer.”

Moderne theologen als Kuitert en Den Heyer zijn uw leeftijdgenoten. Kwam u nooit in de verleiding om achter hen aan te gaan?

„Aanvankelijk dacht ik: O, wat een fris geluid. Maar al snel zag ik dat zij de waarheid ondermijnden. Ik schrok daarvan, want ze bereikten veel lezers. Als deze hoogleraren eerlijk waren geweest, hadden ze hun professoraat neergelegd. Maar ze bleven profiteren van de traditie waarin ze niet meer geloofden.”

Wie zoals u na zeventien jaar deel 7 van zijn dogmatiek afrondt, kan over deel 1 al weer heel anders denken. Was dat zo?

„Nee, totaal niet. Als tiener had ik de dogmatiek van Honig gelezen en als doctoraalstudent de vier delen van Bavinck. Daar ben ik altijd bij gebleven.

De kern blijft voor mij de Drie-eenheid. God bestaat in de liefde van de Vader tot de Zoon. Daarin wortelt het verbond. De islamiet kent Allah heel anders. Die blijft op afstand.

De triniteit was in de eerste eeuw even waar als in de 21e. Die verandert niet. Bepaalde uitleg van de Bijbel, zoals rond de vrouw in het ambt, verandert volgens mij wel.”

Hebt u ook de vervangingstheologie van Bavinck overgenomen?

„Nee, en ook niet de stelling dat de landbelofte verleden tijd is. Een schaduw daarvan bestaat immers nog. Bavincks kerkvisie steunt ook op een doorgaande afscheiding. De Vrijmaking van 1944 heeft ons geleerd dat leertucht zijn grens heeft. Je kunt moeilijk iedereen wegsturen die een andere visie heeft. De kerk is één.

De vraag is dan natuurlijk wel hoe je met vrijzinnigen omgaat. In zekere zin horen die bij de kerk. Ik ben daar niet uit.”

In de jaren tachtig bent u aangeklaagd voor antisemitisme omdat u de Holocaust een straf van God noemde. U hebt dat toen ingetrokken. In uw catechismus uit 2012 omzeilt u dit. Toch van mening veranderd?

„Men snapt dit niet meer, en daarom ben ik inderdaad voorzichtiger. Toch zijn Mozes en Jezus er volgens mij duidelijk in. Lees Deuteronomium 28 en Lukas 21. Maar niemand zou Christus een antisemiet noemen.”

U schrijft over God als Heer. In Terdege pleitte ds. M. van Kooten onlangs voor Heere, omdat daarin Gods verhevenheid doorklinkt.

„Als het gaat om Jahweh, is Heere –met hoofdletters– mooier. Die vroomheids-e past ook bij de Nederlandse traditie. Maar het is een weergave, geen vertaling. In een boektitel heb ik er zelf eens ”Hij-is-er-bij” van gemaakt.

Als het grondwoord Adonai of Kurios er staat, kies ik voor Heer of Heerser. Het gaat dan immers om de Heerschappijvoerder.”

U spreekt op de uitnodiging voor de presentatie van uw 22e boek, ”Houd moed”, over uw „voorlaatste” boek. Hebt u in die 22 boeken nog niet alles kunnen zeggen?

„Ik dacht dat het mijn laatste zou zijn, maar iemand zei: Je kunt nooit weten. Dit boek bevat samenvattingen van preken die ik heb gehouden, afgewisseld met gebeden. Best pittig hoor, om te doen. Maar met een vriend heb ik nog iets op stapel staan over personen in de Bijbel.”

Levensloop dr. B. Wentsel

Benjamin Wentsel werd geboren in de gereformeerde pastorie van Ridderkerk. In 1953 werd hij zelf predikant in Pingjum-Zurich.

In 1970 promoveerde hij op ”Natuur en genade” een onderzoek naar de rooms-katholieke theologie rond dit onderwerp. Dat was het begin van 22 boeken.

In de jaren tachtig begon hij aan een uitgebreide gereformeerde dogmatiek. In 1998 rondde hij deze serie van zeven dikke delen af.

Ds. Wentsel trouwde in 1970 met Geertruida Gerda Stam, die in 2015 overleed. Het echtpaar kreeg geen kinderen.

In 1973 nam hij een beroep aan naar Den Haag-West. In 1990 ging hij met emeritaat.

Lees ook:

Eenzaam strijder tegen de tijdgeest (Reformatorisch Dagblad, 13 september 2014)

Een ‘oefenaar’ in de leer (Reformatorisch Dagblad, 10 november 2012)

Een gesel en uitdaging uit Mekka (Reformatorisch Dagblad, 6 oktober 2005)

Helaas verhardt Den Heyer zich (Reformatorisch Dagblad, 20 november 2000)

Sluitstuk van een uitvoerige dogmatiek; recensie door prof. J. van Genderen (Reformatorisch Dagblad, 21 oktober 1998)

Wentsel schrapt delen uit nieuwe dogmatiek (Reformatorisch Dagblad, 18 november 1986)

Frankstichting en Stiba klagen dr. Wentsel aan (Reformatorisch Dagblad, 20 juli 1985)