De EO en de gereformeerde gezindte: een spanningsvolle relatie

L.P. Dorenbos. beeld André Dorst
3

(Bert) Dorenbos (74) trad in 1974 aan als directeur van de toen nog jonge Evangelische Omroep. Veel radio- en televisie-ervaring was er nog niet in huis, idealisme en radicaliteit des te meer.

Je werd natuurlijk uitgelachen in de omroepwereld, zegt hij. „Wat ben je nou toch aan het doen, Bert? Binnen twee jaar is je omroep verdwenen.” Dat gebeurde echter niet. Dorenbos stond aan het roer tot 1987. In 1985 richtte hij samen met zijn vrouw de stichting Schreeuw om Leven op.

U kende de oprichters Kits en Van Oostveen en werkte in de beginjaren met hen samen. Wat waren zij voor mannen?

„Tijdens mijn eerste ontmoeting met het dagelijks bestuur zag ik tot mijn stomme verbazing een palet oudere mannen zitten die samen de kerkelijke kaart van Nederland vertegenwoordigden. Echte gereformeerden, goed in de leer. Ds. Maris van de Christelijke Gereformeerde Kerken, Mateboer van de Gereformeerde Gemeenten, de evangelisten Kits en Van Oostveen en de hervormde ds. Glashouwer. Kits kon nogal fel van leer trekken, Van Oostveen was een zachtaardige man. Samen waren ze op de knieën gegaan en hadden ze bidstonden belegd. Ze zijn gewoon aan de slag gegaan. Tot er op een zeker moment 15.000 leden waren, genoeg om een licentie aan te vragen.”

Waren de bestuursleden idealisten?

„Het waren verschillende mensen met één ideaal: de EO moest het Woord van God terugbrengen in de samenleving. Niks geen compromissen sluiten, niks geen flauwekul. We zonden destijds uit op dinsdagavond. Mijn vrouw en ik zaten dan samen met de kinderen voor de televisie. Er gebeurde natuurlijk ook weleens iets wat niet helemaal in de haak was. Ik had destijds veel contact met ds. Glashouwer, de voorzitter. We wisten vaak eensgezind waaraan het haperde. Daar hoefden we elkaar niet eens voor te bellen.”

Identitair gezien, bedoelt u?

„Als een programma iets te frivool van toon was geweest, bijvoorbeeld. Of als een uitspraak niet helemaal deugde. In al die jaren is er tussen het bestuur en mij nooit een conflict geweest over de inhoud van de programma’s.”

Hoe typeert u de tijd waarin u directeur was?

„Het was een tijd van afbraak. Alleen al in de omroepwereld. De duivel danst daar op klompen door de gangen. Daar kan ik een boek over schrijven. We zaten midden in een secularisatiegolf. En dan komt er zo’n EO. Je werd natuurlijk uitgelachen. Ik ook. Wat ben je nou toch aan het doen, Bert? Binnen twee jaar is jullie omroep verdwenen. Maar dat gebeurde niet. Integendeel. De groei kon niet op. We gingen veel het land in. Camera erbovenop en vent het Evangelie maar uit.”

Was de EO er vooral voor de eigen achterban of was hij missionair gedreven?

„Het ging ons er niet om een zo groot mogelijk publiek te bereiken. We wilden het Evangelie uitdragen. Uiteindelijk was God het doel.”

U volgt de EO de laatste decennia kritisch. Wanneer kwam de missie van de omroep volgens u onder druk te staan?

„Dat is een sluipend proces geweest. De EO was bekend om het tv-programma ”Adam of aap”. Koos van Delden leverde daaraan een bijdrage. Ook Willem Ouweneel heeft er nog in gezeten. Het was een fantastisch programma dat enorme stampij in de samenleving opleverde. De EO stond voor de schepping. En toch waren er op een gegeven moment mensen bij de omroep die daar een beetje aan gingen trekken. Het was een glijdende schaal. Je kunt niet precies aanwijzen waar het verkeerd ging, maar het gebeurde wel.”

Was dit voor u hét heikele punt?

„Dit is een concreet voorbeeld, maar daarachter schuilt een ander issue, namelijk dat het Woord van God niet meer als onfeilbaar geldt. Dat tast de visies aan die de EO propageert. Op het gebied van seksualiteit, bijvoorbeeld. De achterban van de EO is het vaak oneens met de keuzes die de omroep maakt. De directeuren zijn positieve christenen die de Heere willen dienen. Maar ze denken dat ze mensen bij Jezus brengen door mee te deinen met niet-christenen. Dat is een misvatting.”

Heeft de EO zich van zijn achterban vervreemd?

„De echte achterban is al weg. De omroep is door het schepping-en-evolutiedebat veel leden kwijtgeraakt. Als je de kern van je vervreemdt, ben je je stootkracht kwijt. Mijn verlangen is dat de bestuursleden dicht bij Jezus blijven. De aanvallen die zij te verduren krijgen, zijn heftig. Ze hebben veel gebed nodig.”

De grens is bereikt

Dr. W. Verboom. beeld André Dorst

Eerlijk en kritisch zijn over de Evangelische Omroep mag, vindt dr. W. Verboom (75), maar alleen met het welzijn van de omroep op het oog. „Ik denk dat we tegen grenzen aangelopen zijn.”

Nederland is in vijftig jaar „enorm veranderd”, begint de hervormd-gereformeerde emeritus predikant uit Harderwijk. „Dat is vooral in medialand voelbaar en zichtbaar. Ik wil daarom vooraf zeggen dat we niet alleen maar negatief over de EO moeten doen. Het is vrij gemakkelijk om iemand te beoordelen op zijn zwakke kanten. Dat blijft er van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk en van de Gereformeerde Gemeenten ook niet veel over.”

U werkte zes jaar lang mee aan het radioprogramma De Bijbel Open. Voelt u zich verbonden met de EO?

„Ik voel me zeker verbonden met de EO. Dat is vanaf het begin zo geweest. Ik weet nog goed dat de EO werd opgericht in 1967. Wat waren we er persoonlijk, als kerkenraad en als gemeente in Benschop intens mee bezig, ook in het gebed. We zagen de oprichting als een wonder. De EO stond toen qua spiritualiteit heel dicht bij mensen uit de gereformeerde traditie en kreeg vanuit GB-gemeenten enorme support.

Ik heb vooral waardering voor de programma’s waarin de EO een helder Bijbels geluid laat horen. Dat is mijns inziens ook zijn bestaansrecht. Met dat Bijbelse uitgangspunt kan de omroep midden in de cultuur gaan staan. Niet betweterig, maar bescheiden en bewogen.”

De Bijbel Open had veel luisteraars. Kunt u zich reacties herinneren?

„De respons op de uitleg van Bijbelteksten was overweldigend. Ik denk dat veel luisteraars daar iets aan hebben gehad. Heel vaak groeiden er ook waardevolle pastorale contacten uit.”

De EO conflicteert soms met een deel van zijn achterban. Hoe komt dat volgens u?

„De EO is in de loop der jaren groot geworden. Dat is aan de ene kant een geweldige zegen, omdat het zo veel mogelijkheden biedt. Tegelijk kom je dan in een wirwar van regels van de publieke omroep terecht, waardoor het soms heel moeilijk is om je Bijbelse identiteit te bewaren. Je kracht is ook je zwakte. Ik zie dit met de EO gebeuren. Dat maakt dat programma’s geestelijk gezien zo verschillend kunnen zijn.”

De omroep is in de loop van de jaren veelkleuriger en breder geworden. Er kwam ruimte voor rooms-katholieken en recenter voor vrijzinnige gelovigen.

„Met een aantal anderen schreef ik onlangs een open brief aan de EO, waarna er een gesprek heeft plaatsgehad. Ik ben blij dat dit gesprek hoopvol is verlopen. We legden uit dat we de EO niet op een gemakkelijke manier willen afserveren, maar dat we het niet goed vinden dat de EO in het maken van beleid en de programmering samenwerkt met anderen –zoals vrijzinnigen, hetzij protestants, hetzij rooms-katholiek– die qua visie op geloof, kerk en cultuur principieel anders denken dan wat de EO in zijn beginselprogramma voorstaat. Ik vind het een noodzakelijke voorwaarde dat medewerkers van de EO bewuste gelovigen zijn, die –met alle aanvechtingen van dien– de Heere Jezus kennen en liefhebben.”

Is de EO bij zijn grondslag gebleven? Heeft de EO nog een Woord voor de wereld?

„Ik begrijp dat de EO worstelt met de spanning tussen zijn grondslag en de pressie van de regels in omroepland. Ik wil daar niet gemakkelijk over doen. Maar ik denk wel dat we tegen grenzen aangelopen zijn. Het is alles in Gods hand, maar soms denk ik dat de EO in een geestelijke spagaat terechtkomt die niet vol te houden is. Dat neemt niet weg dat ik veel respect heb voor het werk van de EO en de mensen die de omroep besturen.

Het gaat ten diepste niet om kijk- en luisteraantallen. Met alle spanning die eraan verbonden is, gaat het erom dat we op zorgvuldige wijze recht doen aan de Bijbel als het Woord van onze hoge God, Die Zijn Zoon zond voor verloren zondaren. Ik bid vaak het gebed uit Psalm 74 mee: Herdenk de trouw aan ons voorheen betoond. Ook als het gaat om de plaats van de EO onder ons volk. Dan blijft de EO, trouw aan zijn missie, een Woord voor de wereld houden, juist ook als dat Woord weersproken wordt.”

Moeizame verhouding

De verhouding tussen de EO en de gereformeerde gezindte was nogal eens moeizaam. In kranten en kerkelijke bladen vielen door de jaren heen scherpe woorden. Een aantal citaten op een rij.

„Daarnaast moet als bezwaar tegen de EO genoemd worden dat hij door zijn optreden het tv-bezit in onze kringen bevordert.” (Commentator Reformatorisch Dagblad, 2 juni 1975)

„Ook dit jaar treft het mij weer dat de algemene tendens is om Bijbelse begrippen te vervangen door allerlei andere termen. De woorden ”geloof” en ”bekering” worden veelvuldig vervangen door andere uitdrukkingen, zoals: „Geef uw leven aan Christus; open uw hart voor Christus; beslis voor Jezus; zeg ja tegen God”, enz.” (Ds. C. Harinck in De Saambinder, 31 oktober 1985)

„Dat neemt niet weg dat er alle reden is om tegen de sfeer van deze EO-Jongerendag te waarschuwen. Hier is immers volstrekt het besef weg van Gods heiligheid, van de eerbied die ons past in de omgang met Zijn Woord, van de ernst van het leven, van de ernst van de eeuwigheid. Opnieuw moeten we constateren dat er tussen reformatorisch en evangelisch een grote kloof bestaat, ook al noemen beide zich Bijbelgetrouw en al spreken beide over Jezus.” (Hoofdredacteur dr. C. S. L. Janse in het Reformatorisch Dagblad, 15 juni 1998)

„Ik vind het nogal wat dat leidinggevende mensen van de EO nu voor de microfoon zeggen dat bij hen de opvattingen over homoseksualiteit niet meer zo scherp zijn, en dat er misschien weleens schuld moet worden beleden voor wat vroeger allemaal is gezegd.” Dr. W. H. Velema in cv.koers, 7 oktober 1999)

„Zolang er géén kerkelijke gemeenschap bestaat tussen protestanten en rooms-katholieken, moet naar mijn overtuiging protestants in de grondslag van de EO gehandhaafd blijven. Oecumene van het hart kan leiden tot oeverloze oecumene.” (Dr. Ir. J. van der Graaf in De Waarheidsvriend, 13 juli 2000)

„Ons appel op de EO om af te zien van een programma met Gordon is niet anders dan een opkomen voor de Naam van God, die heilig is.” (Drs. P. J. Vergunst in het Reformatorisch Dagblad, 31 maart 2010)

„Soms wringt de uitslag”

André van Putten maakt sinds 2013 deel uit van de EO-ledenraad. De ledenraad telt 67 leden, afkomstig uit 6 kerkelijke stromingen. Van Putten leeft mee met de gereformeerde gemeente in zijn woonplaats Kampen. Drie keer per jaar woont hij een ledenvergadering bij waarbij de leden het beleid zoals dat is gevoerd, toetsen en al dan niet goedkeuren. Daarbij is er „absoluut” ruimte voor zijn inbreng, stelt hij. „Ik krijg de tijd om mijn woordje te doen, dat is geen probleem. Maar aan het einde van een bespreekronde wordt er gestemd en dan beslist de meerderheid. Daar moet je je bij neerleggen.” De uitslag wringt soms met zijn persoonlijke overtuiging. „Ik heb vooral moeite met het betrekken van de IKON bij de EO en met de benoeming van een remonstrantse predikant in het EO-gebouw.”

Van Putten heeft waardering voor de raad van bestuur. „De bestuursleden zijn mijn medebroeders. Tegelijk zijn ze verbaal heel sterk en buitengewoon deskundig als het gaat over het omroepbeleid. De door leden ingebrachte bezwaren ketsen algauw af op een verhaal over zendtijd en mediabeleid. Op dat vlak voelen wij ons als ledenraadsleden niet deskundig.”

Voelt hij zich nog verwant met de EO? „Ik zei laatst tegen vrienden: Voor mij komt toch in zicht dat ik me ga beraden op mijn plekje daar. Al realiseerde ik mij direct dat als ik buiten sta, ik ook niks meer te vertellen heb.”

Dit is het slot van een tweeluik over vijftig jaar EO.