Jos van der Kooy: Behoefte aan meer goede isoritmische koraalboeken

Jos van der Kooy. Beeld Jan Bruinekreeft Jan Bruinekreeft
14

„In de liturgie voegt de gemeente zich in de gemeenschap der heiligen. Dat is niet iets van nu, maar dat ligt in de gang van de kerk der eeuwen besloten.”

Dat zei dr. P. C. Hoek, docent liturgiek aan het Hersteld Hervormd Seminarie, zaterdag tijdens de vierde landelijke ontmoetingsdag voor organisten in de herstelde hervormde kerk te Lunteren. Dr. Hoek heeft het voorzitterschap van de werkgroep die deze jaarlijkse dag organiseert overgenomen van ds. C. J. P. van der Bas.

In de brief aan de gemeente van Efeze bidt Paulus voor deze gemeente. „Hij doet dat met al de heiligen”, zei dr. Hoek. „Een christen kan dat niet alleen. Ze zijn op elkaar aangewezen en hebben elkaar nodig. Dat komt tot uitdrukking in de liturgie, die wij verbonden weten met de synagoge en de vroege kerk.”

Dr. Hoek ziet dat de ordening van de 150 psalmen is afgestemd op de synagogale eredienst. Hier liggen volgens hem de wortels van de christelijke liturgie, waarop Augustinus voortborduurde en die ook zijn terug te vinden in de liturgieën van de hervorming. Olevianus ontleende aan zijn voorgangers teksten voor het doopformulier, Calvijn gebruikte teksten uit de vroege kerk voor het huwelijksformulier en het avondmaalsformulier, stelde dr. Hoek.

Jos van der Kooy, stadsorganist van Haarlem en cantor-organist van de Amsterdamse Westerkerk, gaf een causerie, met praktijkvoorbeelden vanaf de orgelbank, over het begeleiden van de samenzang. Dat Calvijn in Straatsburg ontroerd was door het zingen van vrouwen en kinderen, was volgens hem het begin van de vrouwenemancipatie.

De liturgie in de Amsterdamse Westerkerk is niet zoveel anders dan bij de hersteld hervormden, zo stelde hij. „Ook wij zijn niet van de liturgische rek- en strekoefeningen.” Hij noemde de voorbereiding op de eredienst voor de organist heel belangrijk. Dat sommige organisten daar niet aan toe komen, net zomin als aan studeren, omdat ze ook nog tal van functies in het kerkelijk leven bekleden, is volgens hem een slechte zaak. Hij riep kerkenraden op organisten te ontzien voor kerkelijke functies. Kerkenraden zouden ook een budget moeten hebben om organisten te laten studeren.

Het voorspel bij de te zingen psalm kenschetste Van der Kooy als deel van de lofzang. „Vervolgens bent u er om de samenzang te faciliteren”, zei hij. „Zie kerkmuziek als samenbindende factor.” Volgens hem is er behoefte aan meer nieuwe, goede isoritmische koraalboeken. Langzaam isoritmisch zingen opent de weg tot de relipop. Vlot ritmisch psalmzingen is meer van deze tijd, stelde hij.

Verder voerde hij een pleidooi voor structurele samenwerking tussen organist en predikant. Ook riep hij de hersteld hervormde organisten op samenwerking te zoeken met de Vereniging Organisten Gereformeerde Gemeenten (VOGG). Het zogenoemde ”toontje vooraf” is volgens hem geen discussie waard. „Is het gewoonte, laat het dan zo. Kerkmusici moeten niet drammen.” Tussen coupletten moduleren naar een toon hoger, wil hij ook niet hovaardig verbieden. „Ik ben niet zo’n purist”, aldus Van der Kooy.