In debat rond Israël, kerk en „christenzionisme”

Dr. M. C. Mulder (l.) en dr. S. Paas sr. Foto RD RD
4

De discussie over kerk en Israël is weer opgelaaid. Vooral de christelijke gereformeerde theoloog dr. Steven Paas sr. gooide met zijn boek ”Christian Zionism Examined” olie op het vuur: de kerk moet geen aparte plaats meer toekennen aan het na-Bijbelse Israël. Ook tijdens een gesprek met dr. M. C. Mulder, die zijn visie bestrijdt, gaat het er soms fel aan toe. Dr. Mulder: „Dit is de meest zuivere vorm van vervangingstheologie.”

Dr. Paas begrijpt wel dat zijn boek, dat deze zomer verscheen, veel stof doet opwaaien. Het bevat namelijk voor veel orthodoxe kerkgangers een pijnlijke boodschap: ze zouden een fascinatie voor Israël hebben die niet overeenkomt met de Schrift. De „christen­zionisten” houden er een onjuiste hermeneutiek (manier van Bijbellezen) op na, aldus dr. Paas, en laten zich in hun theologie leiden door –op zich terechte– schuld- en schaamtegevoelens over de Holocaust, de moord op 6 miljoen Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De Bijbelse profetieën wijzen volgens dr. Paas, die tot 2007 voor de Gereformeerde Zendingsbond (GZB) in Malawi werkte, een andere kant op: de beloften aan Israël waren niet eeuwig maar tijdelijk. Met de komst van Christus zijn ze in vervulling gegaan. God had vanaf het begin alle volken, heel de mensheid, op het oog. „Gods handelen met het Bijbelse Israël was een demonstratie van Gods handelen met de wereld.”

Wie nog een aparte plaats voor het na-Bijbelse, etnische Israël in Gods heilsplan ziet, doet volgens de voormalige zendeling tekort aan het unieke werk van Christus. Van een toekomstig herstel van Israël in de heilsgeschiedenis is dan ook geen sprake. Tussen het volk Israël in de Bijbel en nu mag geen isgelijkteken worden gezet, vindt hij. Bovendien kan een overdreven liefde voor het volk Israël in geval van teleurstelling gemakkelijk omslaan in vormen van antisemitisme. „Denk aan de reformator Maarten Luther, die het boekje ”Over de Joden en hun leugens” schreef.”

Tak

Dr. Mulder, directeur van het Centrum voor Israëlstudies (CIS) en docent kerk en Israël aan de Theologische Universiteit Apeldoorn en de Christelijke Hogeschool Ede, heeft grote moeite met de visie van dr. Paas. In een recensie in het christelijke gereformeerde orgaan De Wekker noemde hij diens opstelling onlangs „tendentieus, eenzijdig, polemisch.” In feite heeft Israël voor hem afgedaan, schreef dr. Mulder, omdat de kerk daarvoor in de plaats is gekomen. „Daarmee zaagt hij de tak door, waar hij zelf op zit.”

„Die woorden hebben me toch wel pijn gedaan”, zegt dr. Paas ergens halverwege het gesprek met dr. Mulder in zijn woon­kamer in Veenendaal. „Het gaat me er juist om dat de overtrokken aandacht voor Israël Christus uit het centrum van ons geloof haalt.”

Dr. Mulder: „Ik heb grote moeite met je visie op het verbond van God. Je ziet Israël als een illustratie van datgene wat God écht bedoelt, namelijk wie Hij is in Christus. Ik heb les gehad van prof. B. J. Oosterhoff. Die waarschuwde ons er altijd voor om het Oude Testament niet te gebruiken als een plaatje bij het echte verhaal. Ik geloof dat je tekortdoet aan de manier waarop God de geschiedenis is ingegaan en aan de beloften die er nog liggen. Aan Gods verbondstrouw komt geen einde. Wat heeft iemand eraan als God iets belooft en het later weer intrekt? God heeft Zijn verbond niet opgezegd.”

Dr. Paas: „Gods verbonds­handelen met het Bijbelse Israël was geen illustratie, maar een demonstratie. Christus zat al in deze beloften. Dat de Bijbelse profetieën een bepaalde gelaagdheid hebben is geen onzin, maar het gaat uiteindelijk om Hém. Israël is niet opgegeven door God –dat willen de christen­zionisten ons in de schoenen schuiven– maar de beloften, ook voor hen, vinden hun vervulling in Christus.”

„Dat God het verbond ten diepste met Christus heeft gesloten, vind ik zo niet terug in de Bijbel”, reageert dr. Mulder, die vorig jaar promoveerde op een proefschrift over Israël in Romeinen 10. „God sloot dat verbond met Abraham en zijn nageslacht en met hen die –sinds Pinksteren– door het geloof worden ingelijfd, evenals hun kinderen. Heidenen mogen inderdaad delen in het verbond van God, maar de beloften blijven ook geldig voor wie deze als eerste bestemd waren. Daardoor kunnen we nog steeds Psalm 105:5 zingen: „Het verbond met Abraham zijn vrind, bevestigt Hij van kind tot kind.””

Dr. Paas: „Het gaat hier over Abrahams geestelijke kinderen.”

Dr. Mulder: „Waarom ga je zo spiritualiseren? Het gevaar is dat de beloften zo in de lucht komen te hangen.”

Dr. Paas. „Helemaal niet. Alleen door een oprecht geloof worden we zalig.”

Dr. Mulder: „En wat doe je dan met teksten als Galaten 6:16 en Romeinen 11:26? Als je de context van de woorden „alzo zal geheel Israël zalig worden” bekijkt, zie je dat Paulus worstelt met de vraag hoe de vleselijke nakomelingen van Abraham gered worden. Geldt het Woord van God dan niet meer?”

Dr. Paas: „Je haalt een kunstje uit. Israël, zoals bedoeld door Mozes en de profeten, wordt gelijkgesteld met het Israël nu. Dat is een slechte zaak.”

Dr. Mulder: „Wat betekenen de woorden Abraham en zijn nageslacht dan volgens jou?

Dr. Paas: „Die wijzen erop dat de kerk wordt gebouwd, dat de poorten der hel haar niet hebben overweldigd. Nee, dat is geen vervangingstheologie, want de kerk bestond al vanaf het paradijs: ver voor Abraham en Israël. Ze bestaat, zoals artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt, uit de ware gelovigen. Daartoe behoorde ook een deel van Israël, een overblijfsel, een rest. De beloften zijn in Christus vervuld en hebben zo hun wezenlijke betekenis gekregen. In Christus is de kerk hoger, breder, dieper dan Israël. Vervangings­theologie is een term van na de Holocaust, uitgevonden door de christenzionisten om een belangrijke doorgaande lijn in de theologie van de kerk der eeuwen af te serveren.”

Dr. Mulder: „Ik zou geen ander woord kunnen bedenken. Dit is de meest zuivere vorm van vervangingstheologie.”

Hij is even stil. Dan: „Ik ontken natuurlijk niet dat God geestelijk terzake komt in Christus en in de kerk, maar daar doorheen blijft een lijn lopen: die van de verbondenheid aan Gods beloften in het verleden tot op vandaag.”

Wat zegt dat over de vervulling van de landbelofte aan Israël?

Dr. Mulder: „Ik wil geen concreet letterlijke verbinding leggen met alles wat er nu in Israël gebeurt, maar ik wil de lijn ook niet doorsnijden. Ik zie wel dat God bezig is in de geschiedenis: het volk Israël heeft weer een plek om te leven. Romeinen 11:26 geeft aan dat we met recht grote dingen van God mogen verwachten. Maar het blijft een geheimenis, zoals de apostel Paulus zegt.”

Dr. Paas: „Jullie zien dat helemaal verkeerd. De landbelofte heeft in het Nieuwe Testament een uitbreiding ondergaan van land naar aarde. Je gaat voorbij aan het universele van Gods heilsplan in Christus.”

Dr. Mulder: „Dat zijn grote woorden, daar schieten we niets mee op. Kun je dan nergens van zeggen: dit is een teken van Gods trouw aan Israël?”

Dr. Paas: „In het geval van het na-Bijbelse Israël: niet van Gods trouw, wel van Zijn voorzienigheid.”

Dr. Mulder: „De rode lijn in de geschiedenis is de blijvende trouw van God aan Israël. Zo zagen bijvoorbeeld de nadere reformatoren dat ook.”

Dr. Paas: „Dat is een vergissing en deze visie wijkt bovendien af van de Reformatie zelf. Alles buiten Christus is een on-Bijbelse lijn.”

Dr. Mulder: „Hier gaan onze wegen uiteen. Heb je dan helemaal geen verwachting voor Israël?”

Dr. Paas: „Zeker wel, maar niet méér dan voor andere volken. In de geschiedenis zie je massale bekeringen in China, in Korea, in Afrika. Dát zijn tekenen van Gods trouw. Ik voel verbondenheid met Israël, maar niet meer dan met het Nederlandse of het Malawische volk.”

Dr. Mulder: „De Nederlands gereformeerde theoloog H. de Jong, een van de ondertekenaars van je open brief tegen het christenzionisme, spreekt met respect en liefde over Israël als onze oudste broeder. Dat mis ik bij je. Gods blijvende trouw aan dit volk, met alle verwondering, verbazing en verwachting die daar achter zit, is altijd het uitgangspunt van het Centrum voor Israëlstudies geweest.

Aan de andere kant, en daar heb je een punt, moeten christenen ervoor waken niet door te slaan en alles heilig verklaren wat Israël doet. Als er ergens een Joodse vlag hangt, betekent dat niet dat God in hun midden is.”

Meerdere nadere reformatoren en puriteinen, onder wie Wilhelmus à Brakel en Robert Murray M’Cheyne, verwachtten een heerlijke toekomst voor Israël. Hoe kijkt u daartegen aan?

Dr. Paas: „Ik ben het op dat punt niet eens met bepaalde vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie. Ik zie dat als een afwijking van de lijn van de Reformatie.”

Dr. Mulder: „In dit opzicht ben ik blij met een boek als dat van dr. Wulfert de Greef, over Calvijn en de Joden. Daaruit blijkt dat Calvijn het Joodse volk toch niet afschreef.”

Dr. Paas: „Natuurlijk schreef Calvijn de Joden niet af, maar volgens mij lees je dat boek toch niet goed. Ik heb het zelf nog niet gelezen, moet ik zeggen, maar vraag het dr. Machiel van den Berg: hij spreekt hier in zijn recensie in het RD wel anders over. Zelf weet ik me overigens het meest aangesproken door Luther. Dat wil zeggen, als het gaat om de rechtvaardiging. Ten opzichte van de Joden is hij te ver gegaan.”

Dr. Mulder, waarom die terughoudendheid om over ‘zending’ onder Israël te spreken? Zending is toch het brengen van het Evangelie van Jezus van Christus aan allen die niet in Hem geloven?

„Zending is meer dan het Evangelie van Christus brengen. Het is ook het bekendmaken van God, tot Wie zij al bidden. Er is dus al sprake van verbondenheid, van een aanknopingspunt om in gesprek te gaan, om naar elkaar te luisteren. En als we het getuigend gesprek aangaan met Israël, dan moet dit altijd gebeuren met in het achterhoofd alles wat er in de geschiedenis met het Joodse volk is gebeurd.”

Dr. Paas: „In zulke gesprekken mis ik de persoon van Christus. Is dit nu wel of geen zending?”

Dr. Mulder: „Van Ruler zei: Christus is al in hun midden. Dat is een totaal ander uitgangspunt dan zending, die zich richt op mensen die God in het geheel nog niet kennen. Maar je hebt gelijk, in het gesprek met Israël zullen we natuurlijk niet verdoezelen dat het om Christus gaat.”

Dr. Paas: „Diepgaande contacten met het Jodendom zijn noodzakelijk vanuit het oogpunt van acculturatie, een belangrijk aandachtspunt in de missiologie. Maar gezamenlijk zoeken naar de echte betekenis van de Schrift en de waarheid in Christus is een onbegaanbare weg. Het judaïsme is in feite een andere godsdienst. Het verwerpt Jezus Christus. Je kunt dus ook niet samen met Joden bidden, zoals wel gebeurt. Dan verdwijnen al snel de woorden „om Jezus’ wil” aan het einde van een gebed.”

Dr. Mulder: „Het gaat om mensen die de God van Abraham, van Mozes en van de psalmist aanroepen. Ze gaan niet tot een andere god. Kernpunt is dat ik geloof dat God nog met hen bezig is, dat Hij Zijn verbond in stand houdt. De kerk heeft door haar geschiedenis heel vaak het juiste zicht op Christus belemmerd. Alleen door samen de Schriften te lezen, te luisteren en in gesprek te gaan, komen we bij die ene Naam uit.”

Dr. Paas: „Je kunt geen lijn trekken van het Joodse volk in het Oude Testament naar de rabbijnen nu. In het Oude Testament keek men uit naar de ware Messias; nu is het judaïsme een systeem dat Christus afwijst.”

Christenen aanbidden dus een andere God dan Joden?”

Dr. Paas: „Inderdaad, want we kennen God alleen door Jezus Christus.”

Is de term christenzionist niet wat ongelukkig gekozen? Zionisten streven toch naar een Joods thuisland?

„Ik ben het met u eens dat dit niet zo’n goede term is. Christenzionist is een woord dat in de Angelsaksische wereld wordt gebruikt. Ik heb niet direct een alternatieve term, maar een omschrijving zou beter zijn: mensen met een niet in de Schrift te funderen fascinatie voor het na-Bijbelse Israël.”

Wat merkt een gemiddeld gemeentelid ervan in de preek als zijn predikant een van beide visies op Israël huldigt?

Dr. Mulder: „Veel. In de gebeden voor Israël, in het verstaan van het verbond. De concreetheid van Gods beloften, het voortdurend besef en de verwondering dat we in Israël zijn ingelijfd – dat zal de toon zetten.”

Dr. Paas: „Ik denk dat het wel uitmaakt, ja. Natuurlijk moet er voor Israël worden gebeden, maar niet meer of minder dan voor bijvoorbeeld Nederland.

Ik luister altijd scherp naar wat een predikant over Israël zegt. Ik heb de indruk dat ze meestal de kool en de geit sparen omdat ze er niet voor durven uit te komen dat ze een andere visie op Israël huldigen dan het christenzionisme. Nu de ene brochure over Israël over de andere heen duikelt, verwacht ik een heroriëntatie. Deze hele discussie is van voorbijgaande aard: de visie op Israël zal steeds minder gekleurd worden door schuldgevoelens over de Holocaust. Joden infiltreren in het CIS en met name Christenen voor Israël.”

Dr. Mulder: „Infiltratie? Dat is vijanddenken.”

Dr. Paas: „Het is echt een kwestie van tijd. Op het kerkelijk grondvlak heerst niet alleen vermoeienis, maar ook ergernis.”

Dr. Mulder: „Volgens mij is de situatie na de Holocaust niet zo heel veel veranderd. Nog steeds staat Israël vaak alleen. Uit een recente opiniepeiling in Israël blijkt dat de meerderheid van de bevolking verwacht dat het land het niet zal redden als er oorlog uitbreekt. Die verschrikkelijke werkelijkheid zullen we niet uit het oog mogen verliezen.

Ik hoop niet dat het besef verdwijnt dat de kerk verbonden is aan Israël, haar oudste broeder, en dat God Zijn verbond in stand houdt. Dan zou de hele visie op de trouw van God vervluchtigen. God is aan het werk, ook al gaat dat ons verstand te boven.”

Christian Zionism Examined. A Review of Ideas on Israel, the Church and the Kingdom, Steven Paas; uitg. VTR, Neurenberg, 2012; ISBN 978 3 9417450 86 9; 138 blz.; € 16,95.


Israëls toekomst

De Middelburgse predikant Bernardus Smijtegelt (1665-1739) was ervan overtuigd: eens zou God de Joden „toebrengen.” „Dan zal het Ryke Gods toekomen”, zegt hij in een preek over zondag 48 van de Heidelbergse Catechismus, „dan zullen ze komen toevloeijen, en dan zal de volheid der Heidenen ingaan en geheel Israël zalig worden, Rom. XI:25.”

Smijtegelt was de enige in zijn tijd niet die, érgens achter de horizon, een heerlijke toekomst voor het Joodse volk voorzag. Veel geciteerd is hier Wilhelmus à Brakel (1635-1711). Lang voor 1948, de stichting van de staat Israël, schreef hij in deel drie van zijn ”Redelijke Godsdienst”: „Of de Joodse natie uit alle gewesten van de wereld, en van onder alle volkeren des aardbodems, onder welke zij verstrooid zijn, wederom bij elkander vergaderd zullen worden, en in het land Kanaän en alle die landen aan Abraham beloofd, zullen komen en wonen, en Jeruzalem herbouwd zal worden?” Zijn antwoord: „Wij geloven, dat het geschieden zal.”

Vaststaat voor ”Vader” Brakel dat de „Joodse natie” niet „voor altoos zal verstoten blijven.” In zijn eigen dagen zou de „nationale bekering” van het Joodse volk zich niet meer voltrekken, „maar zij zal nog komen. De Heere zal het op Zijn tijd snellijk doen komen. De Heere zij Zijn oud volk genadig! Och, dat de Verlosser uit Sion kwam, en de goddeloosheid afwende van Jakob! Dan zou zich Israël verblijden en de heidenen zouden juichen en gezamenlijk zouden ze de Heere eer en heerlijkheid en dankzegging geven. Hallelujah!”

In Zacharias Ursinus’ ”Schatboek der verklaringen van de Heidelbergse Catechismus” –dat overigens zeker niet alleen aan Ursinus (1534-1583) moet worden toegeschreven– wordt bij zondag 19 „de krachtdadige roeping der Joden (Rom. 11:25v.)” genoemd als een van de „tekenen die aan het Laatste oordeel vooraf zullen gaan, zoals die door Christus en de Apostelen bij wijze van getrouwe waarschuwingen zijn voorgesteld. Die tekenen zijn voornamelijk: oorlogen en geruchten van oorlogen, aardbevingen, de verkondiging van het Evangelie over de ganse aardbodem, Matth. 24:6 en 12; bittere en gruwelijke vervolgingen der Christenen, afwijking van het geloof, een verkouden en tekortschieten in de liefde, Luk. 21:9, 12 en 25; verder, dat de antichrist zichzelf zal zetten en verheffen boven alles wat God genoemd of als God geëerd wordt, zodat hij als een god in de tempel Gods zit, zichzelf vertonende dat hij God is, 2 Thess. 3:12; de openbaring van de antichrist, de krachtdadige roeping der Joden, Rom. 11:25v., de vleselijke zorgeloosheid, zoals er was in de dagen voor de zondvloed en bij de ondergang van Sodom en Gomorra, enz.; vgl. ook 1 Thess. 5:2v.”

Trots

Hoewel de gedachte dat God Zijn „oude bondsvolk”, de Joden, om hun eigen schuld heeft verstoten de eeuwen door eigenlijk gemeengoed is geweest in de christelijke kerk, zijn er altijd mensen –puriteinen, nadere reformatoren, ‘gewone’ gemeenteleden– geweest die dit niet geloofden. In zijn proefschrift ”Gans Israël” (2006) geeft de hervormde (emeritus) predikant dr. M. van Campen daar voorbeelden van. Prof. dr. J. B. G. (Hans) Jansen, die in 1981 het –geruchtmakende– boek ”Theologie na Auschwitz” publiceerde, verwoordde het in een gesprek met deze krant zo: „Een aantal van Luthers geschriften was sterk anti-Joods. Calvijn moest daar niets van hebben. Hij zag de kerk wel als het nieuwe Israël, maar zei tegelijkertijd: Wij mogen het Joodse volk wel eindeloos dankbaar zijn voor wat wij van hem hebben ontvangen. En die lijn heeft zich in de Nadere Reformatie voortgezet. De grootste aanhangers van Israël vind je op dit moment in kringen die in deze traditie staan. Die kant is er ook – en ik ben daar trots op.”

Open brief

In hoeverre is de oprichting van de staat Israël in 1948 te zien als een teken van Gods trouw aan Israël? En: is er voorafgaand aan Christus’ tweede komst nog een massale bekering van het Joodse volk te verwachten? Over vragen als deze is met name na 1948 veel en intensief nagedacht. In de toenmalige Nederlandse Hervormde Kerk en daarbinnen de Gereformeerde Bond; later kwam ook in de afgescheiden kerken –Gereformeerde Gemeenten, Christelijke Gereformeerde Kerken– een bezinningsproces op gang. Israëlavonden, -conferenties en bidstonden trokken volle zalen en kerken en doen dat nog steeds wel. Inmiddels hebben ook heel wat groepsreizen naar Israël plaatsgevonden, al dan niet vergezeld van een bekende predikant en/of organist.

Tegelijkertijd is er in orthodox-gereformeerde kring een andere, tegenstroom waarneembaar, een waarvoor ook De Waarheidsvriend (orgaan van de Gereformeerde Bond binnen de Protestantse Kerk) recent aandacht vroeg. De kritiek op Israël, alsook op de visie dat het Joodse volk nog een heilrijke toekomst wacht, neemt toe – en niet alleen onder jonge predikanten. Bundels en themanummers van bladen buitelen over elkaar heen. Opvallend daarbij is dat de toon vaak heftig is. Op de een of andere manier lijkt ”Israël”, het Joodse volk, mensen, hoe zij er ook tegenover staan, altijd weer existentieel te raken.

Recent verscheen van de hand van dr. Steven Paas sr. het (Engels­talige) boek ”Christian Zionism Examined”. In een recensie in deze krant noemde dr. Van Campen Paas’ publicatie „een flinke stap terug. Van de Bijbelse inzichten ten aanzien van Israël die in diverse protestantse kerken na de Tweede Wereldoorlog min of meer gemeengoed waren geworden, blijft helaas weinig over.” Zijn recensie riep bij een deel van de lezers veel weerstand op. Enige tijd later deed een eveneens kritische bespreking door dr. M. C. Mulder, directeur van het Centrum voor Israëlstudies (CIS) in Ede, hetzelfde.

In een begin september gepubliceerde ”Open brief over Israël aan Nederlandse christenen” roept een groep theologen rond dr. Paas sr. en de anglicaanse priester dr. Jos Strengholt (Caïro) de „door het Christenzionisme beïnvloede reformatorische en evangelische broeders en zusters” op om „terug te keren tot de kernboodschap van de Schrift, zoals die in de Reformatie is herontdekt.” „Buiten Christus om geestelijk gefascineerd zijn door fysiek Israël kan het ”sola” van de genade slechts ondermijnen. We zijn geroepen terug te keren naar de verkondiging van het vrije aanbod van de genade van het Evangelie aan alle volken, inclusief alle kinderen van Abraham. Daartoe behoren ook alle Joden en Palestijnen.”

De open brief was ondertekend door dr. M. A. van den Berg, predikant van de hervormde Morgenster­gemeente in Zoetermeer; de Nederlands gereformeerde emeritus predikant drs. H. de Jong uit Zeist; de „gereformeerd-evangelische” theoloog dr. E. van der Meer uit Malawi en de gereformeerd vrijgemaakte emeritus predikant ds. W. Wierenga uit Midlaren.

Tijd voor een gesprek.