Kerk maakte karikatuur van Eswijler

VEENENDAAL - „Jan Willemsz. Eswijler is in de achttiende eeuw ten onrechte en met opzet op één lijn gezet met geestdrijvers. Predikanten hebben zijn boekje ”Zielseenzame meditatiën” aangegrepen om de rechtmatigheid van een nieuwe koers van de kerk op te eisen. Om dat te kunnen doen hebben ze Eswijler misbruikt.”

Dat stelde drs. C. J. J. Clements, godsdienstdocente aan het Driestarcollege, zaterdag naar aanleiding van het boek ”Zielseenzame meditatiën” van Jan Willemsz. Eswijler. Ze sprak in de Adventkerk in Veenendaal voor de wintercursus van de Stichting Studie Nadere Reformatie (SSNR). Centraal op de cursus staat dit jaar het piëtisme. Eerder kwamen Theodorus à Brakel en Cornelius van Velzen aan de orde.

Eswijler werd rond het jaar 1633 geboren in het Duitse Wesel. Later vestigde hij zich in Hoorn, waar hij jarenlang leidinggaf aan het burgerweeshuis. In 1685 verscheen er een boek van zijn hand, dat na zijn dood veel stof deed opwaaien. Het heette eerst ”De waerheyt des evangeliums, bestaande in eenige uitdruckingen des Gemoets van een geloovige Ziele”, later kreeg het de titel ”Zielseenzame meditatiën”. Het gaat om aantekeningen die Eswijler in eerste instantie alleen voor zichzelf had gemaakt om zijn gemoed ademtocht te geven.

De meditaties zijn buiten medeweten van Eswijler uitgegeven, aldus Clements, mogelijk door Jacobus Koelman. „Eswijler voelde aan dat het boekje zo niet op de markt kon komen. Hij wist maar al te goed dat zijn stijl niet bijzonder was en dat sommige stellingen hier en daar wat „verstrooid” waren.”

Niet on-Schriftuurlijk
Eswijler maakt in het boek een sterke tegenstelling tussen Wet en Evangelie, aldus de godsdienstdocente. De christen is vrij van de wet en staat onder de genade. Eswijler verbindt de zekerheid van het geloof aan de strijd tussen vlees en geest in iemand en concludeert daaruit dat er geloof is. Verder heeft de schrijver het over wachten op genade, die een mens niet kan bewerken door gehoorzaamheid aan de geboden. Clements vindt Eswijler niet on-Schriftuurlijk, maar op sommige punten wel eenzijdig en scherp.

De problemen rond het boek ontstonden, aldus Clements, pas ten tijde van de tweede druk, die vijftig jaar na de eerste uitkwam, toen Eswijler al was gestorven. Toen volgden de drukken elkaar snel op. Mogelijk houdt dit verband met een nogal polemische inleiding in het boek van een zekere Boutkan over de opvattingen van Eswijler.

De knuppel werd in het hoenderhok geworpen door ds. Johannes Bagelaar uit Oud-Alblas, die afgaf op de opvattingen van Eswijler en hem onzuiver en mystiek noemde. Zijn mening drong door tot in alle uithoeken van het land.

Er was op dat moment een algemene beweging met kritiek op predikanten en de kerk gaande. Een Rotterdamse predikant, Du Vignon, schreef een boek waarin hij een karikatuur maakte van de ”Zielseenzame meditatiën”, die hij vervolgens afkraakte.

Clements: „Dat was niet zo moeilijk, want hij maakte van de zwakte van het boekje gebruik. Het was een kleine stap om de vrijheid van de wet uit te leggen als de verwerping van die wet, de vrijheid van de zonde als een ontkenning van de zonde en de werkzame afhankelijkheid als een werkeloze lijdelijkheid. Zo trok hij Eswijler in het kamp van de sektariërs, de enthousiaste geestdrijvers die ver van het christendom verwijderd waren. Het is onbegrijpelijk dat de kerk aan deze karikatuur, om piëtisten en geestdrijvers op één hoop te gooien, steun gegeven heeft.”

Toen was het tij gekeerd en werd de verkoop van het boek verboden, evenals het publiceren van geschriften over dit boek.

Misbruikt
Clements concludeerde dat Eswijler ten onrechte en met opzet met de geestdrijvers is verward. Dat had vooral te maken met een nieuwe koers in de kerk, die inzette op een rationalistische benadering van de Bijbel en het geloof. „De predikanten hebben het boekje van Eswijler aangegrepen om de rechtmatigheid van deze koers op te eisen. Maar daarvoor hebben zij Eswijler wel misbruikt.”

Tijdens de vragenbespreking gaf Clements aan dat Eswijler niet meer actueel is, al speelt de problematiek nog wel. Ze bespeurde in de scheiding der geesten rond 1740 een voorbode van de Afscheiding, die bijna een eeuw later zou volgen. „De acceptatie van het gereformeerde gedachtegoed nam af en velen voelden zich minder thuis in de kerk.”