Een laatste avondschemering van vroegere glorie

VEENENDAAL – De Stichting Studie Nadere Reformatie hield zaterdag in de Adventkerk te Veenendaal een cursusmorgen over Cornelius van Velzen en de gaven van de Heilige Geest. „Van Velzen houdt het niet voor onmogelijk dat iemand buitengewone gaven en genaden van de Geest ontvangt, zoals dat in het begin van het Nieuwe Testament gebeurd is”, zei dr. A. Goudriaan. Foto Erik Kottier Erik Kottier

VEENENDAAL - Cornelius van Velzen viel Jan Willemsz Eswijler en Wilhelmus Schortinghuis niet hard aan vanwege sommige minder juiste uitdrukkingen in hun boeken of gesprekken. De behoedzaamheid waarmee hij uitingen van oprecht en geestelijk leven beoordeelde, laat een christelijke houding zien.

Dat zei dr. A. Goudriaan, als onderzoeker verbonden aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, zaterdag in de Adventkerk in Veenendaal. Hij sprak tijdens de derde cursusmorgen van de twaalfde wintercursus van de Stichting Studie Nadere Reformatie, die door zo’n 170 mensen werd bezocht.

Het thema van de cursus is dit jaar piëtisme, bevinding en mystiek. Na een algemene inleiding, kwam twee weken geleden Theodorus à Brakel aan bod. Na Cornelis van Velzen komen, in 2007, Jan Willemsz Eswijler, Godefridus Udemans en Gerhardus van Schuylenburg aan de orde.

Dr. Goudriaan sprak over Cornelius van Velzen en de gaven van de Heilige Geest. Van Velzen, die leefde van 1696-1752, werd in 1728 hoogleraar in de theologie te Groningen. Hij schreef een standaardwerk over de praktische theologie, de ”Institutiones theologiae practicae”. Van Velzen poneert in het in het Latijn geschreven boek dat de Heilige Geest een krachtdadige verandering van de hele ziel en al zijn vermogens tot stand brengt. Hij bekijkt het geestelijk leven vooral vanuit een ethisch gezichtspunt, namelijk van deugden en plichten. De gereformeerde ethicus Willem Geesink noemde dit werk „een laatste avondschemering van vroegere glorie.”

Van Velzen leefde in de nadagen van de Nadere Reformatie. De glorietijd lag een eeuw eerder, in de dagen van Gisbertus Voetius, van wie Van Velzen een leerling kan worden genoemd.

Bedenkingen
In Groningen kwam Van Velzen, aldus dr. Goudriaan, in botsing met zijn collega-hoogleraar Anthonius Driessen, die hem ervan verdacht actieve steun te bieden aan de verdedigers van het boek ”Zielseenzame meditatiën” van Eswijler. Driessen had nogal wat bedenkingen tegen dat boek. Daarop nam Van Velzen de pen ter hand en hij schilderde Driessen in niet mis te verstane bewoordingen als een onredelijke ketterjager af.

Collega Driessen was ook niet onverdeeld positief over het boek ”Het innige christendom” van Wilhelmus Schortinghuis. Hij wilde graag dat Schortinghuis een paar dingen zou ophelderen. Van Velzen dacht er anders over. Hij had zelfs een gedicht geschreven, dat in dat boek was opgenomen. Van Velzen was van mening dat de orthodoxe strekking van de uitdrukkingen van Schortinghuis uit hun verband en samenhang voldoende duidelijk werden.

Dr. Goudriaan vindt het in Van Velzen te waarderen dat hij het opnam voor de „fijnen en ernstigen”, de bevindelijke christenen van de achttiende eeuw, waartoe Schortinghuis en Eswijler behoorden. Hij meent wel dat Van Velzen soms erg scherp reageerde. „Een zakelijke reactie was beter geweest. Driessen deed ook niet alles goed, hij was misschien te polemisch, maar hij doorzag een aantal zaken wel goed. Er was ook sprake van karakterverschillen tussen beide hoogleraren. Intussen was de twist wel een riskante aangelegenheid voor de kerk.”

Geestesgaven
Van Velzen kwam nog een keer in botsing met Driessen. Hij schreef in een inleiding in de prekenbundel van Bernardus Smijtegelt, ”Een Woord op zijn tijd”, over de gaven van de Heilige Geest. Van Velzen houdt het niet voor onmogelijk dat iemand buitengewone gaven en genaden van de Geest ontvangt, zoals dat in het begin van het Nieuwe Testament gebeurd is. Die zullen mogelijk worden uitgedeeld in het laatste der dagen of tijdens een toekomstige heerlijke staat van de kerk. Van Velzen geloofde echter niet getuige te zullen zijn van een algemene uitstorting daarvan. Als God een zichtbaar wonderwerk zou doen, dan zou dat een zeldzaam gebeuren zijn, meende de Groningse hoogleraar.

Van Velzen veroordeelt de „enthousiasten”, die wel hoog opgeven van profetische gezichten, visioenen en wonderen, maar die het inwendige licht laten prevaleren boven Gods Woord. Hij noemt met name Christina Poniatovia, een Boheemse vrouw. Collega Driessen had diverse traktaten over haar gepubliceerd. Driessen geloofde dat zij inderdaad bijzondere openbaringen gekregen had, maar Van Velzen sprak van geestdrijverij. Hij vond dat niet een visioen maar de Bijbel de mensen informeert over de toekomst. Bovendien zag hij het lukraak „prikken” van Bijbelteksten niet als werk van de Heilige Geest, maar als het verzoeken van God, aldus dr. Goudriaan.