Het gebrek van de wetenschap

„Het gebrek van de moderne wetenschap is dat deze niet rekent met twee werkelijkheden, maar slecht met één.” Dat zei ds. J. Koolen, hervormd emeritus predikant, afgelopen zaterdag tijdens zijn lezing voor de 7e wintercursus van de Stichting Studie der Nadere Reformatie (SSNR), die dit jaar weer in Veenendaal gehouden wordt.

„We mogen in het geloof weten op weg te zijn naar Gods nieuwe begin. De komst van Christus en Zijn werk geven voor het geloof perspectief op de voltooiing van de geschiedenis. Vanuit deze overtuiging denken we over de zin van de geschiedenis. We blijven uitzien naar de zin”, aldus ds. Koolen.

De predikant sprak als tweede inleider voor deze SSNR-cursus, die deze winter als thema heeft: ”Voetianen en coccejanen in de Nadere Reformatie”. Hij hield zijn betoog over Jacobus Fruytier en diens visie op de geschiedenis.

Na eerst het leven van deze 17e-eeuwse predikant te hebben geschetst, sprak ds. Koolen in het tweede gedeelte van de ochtend over de strijd van Fruytier tegen diverse dwaalgeesten en over zijn beschrijving van de hand van God in de wereldgeschiedenis. „Fruytier heeft het als zijn roeping gezien om in de strijd der geesten zijn aandeel te leveren.”

Na een beeld te hebben geschetst van de dwaalleraars in de kerk, gaf de emeritus predikant een overzicht van de reactie van Fruytier hierop. „Wanneer we dit alles tot ons laten doordringen, ligt het voor de hand dat Fruytier, gedreven als hij zich wist om de waarheid van God te verdedigen, zich ertoe gedrongen voelde in zijn geschriften te reageren op deze uitingen van ongereformeerd gedrag. Duidelijk wordt dat Fruytier met bange zorg vervuld geweest is dat de waarheid ongemerkt onherkenbaar zou worden. Daarom heeft Fruytier zijn leven lang voor de gereformeerde waarheid op de bres gestaan.”

Volgens ds. Koolen bedoelde Fruytier met zijn geschiedschrijving zijn lezers op te wekken tot bekering en schuldige dankbaarheid. „Hij poogde vanuit de Heilige Schrift de confrontatie aan te gaan met het opkomende rationalisme van de Verlichting. Met vuur kwam hij daarbij op voor de naar zijn inzicht zuivere gereformeerde godsdienst. Deze ijver voor de rechte leer was voor hem niet alleen een streven naar rechtzinnigheid zonder meer, maar kwam voort uit het verlangen om zijn lezers op te wekken om op de rechte wijze de Heere te vrezen.”

Schilder
In zijn slotbeschouwing wilde de predikant een antwoord te geven op de vraag of de uitwerking van wat God doet voor ons mensen wel concreet aanwijsbaar is. „We mogen de fout van het verleden niet herhalen door het onverklaarbare deel van de wereld tot terrein van het geloof te verklaren, met het gevolg dat het terrein van het geloof onder de triomftocht van de wetenschap steeds meer ineenschrompelt.”

Ds. Koolen vroeg zich tijdens zijn lezing af waar „we als christenen voor staan als het gaat om onze taak en plaats ten opzichte van de geschiedenis? We willen ons aansluiten bij K. Schilder, die een bewuste confrontatie met twee werkelijkheden wil: de werkelijkheid van het menselijk handelen aan de ene kant en die van het handelen van God aan de andere kant.”