Geen islamoloog te vinden die zelf moslim wil worden

Buskens. Foto Universiteit Leiden Universiteit Leiden
2

Zorgen wetenschappers voor de oplossing in het islamdebat of maken ze juist deel uit van het probleem? „Ik weet ook wel dat ik in bepaalde kringen word beschouwd als verdediger van radicale moslims.”

Islamwetenschappers moeten hun eigen plan trekken, vindt prof. Thijl Sunier. Dat zei hij vanmiddag in zijn oratie aan de Vrije Universiteit, waar hij eerder dit jaar werd aangesteld als hoogleraar islam in Europese samenlevingen.

In zijn oratie, onderdeel van een seminar over de islam in Europa, geeft Sunier een deel van zijn collega’s een veeg uit de pan omdat ze volgens hem te veel aan de leiband van beleidsmakers lopen.

Het gevolg? „Wetenschappelijke blikvernauwing. Islamwetenschappers worden steeds meer beleidsonderzoekers die zich vooral richten op thema’s als terrorisme en radicalisering. Maar als je inzicht wilt krijgen in hoe de islam in Europa zich ontwikkelt, moet je ook de niet-problematische aspecten in je onderzoek betrekken.”

Dat vindt ook prof. Léon Buskens, directeur van het vorige maand opgerichte islaminstituut Lucis in Leiden. „Wereldwijd hebben we het over meer dan 1,5 miljard moslims en 1400 jaar geschiedenis. Het onderzoeksveld is veel breder dan waarop meestal de focus ligt.” Beide wetenschappers –Buskens vanuit Leiden en Sunier vanuit Amsterdam– reageren op drie stellingen over het nut van islamwetenschap.

Het is een illusie dat meer wetenschappelijke kennis een eind maakt aan de felle controverses in het islamdebat.

Buskens: „Mee eens. Ik heb niet de illusie dat het islamdebat opgelost wordt door meer wetenschappelijke kennis. Maar het debat kan daarmee wél aan kwaliteit winnen.

Dat kan vooral door in het debat onderscheid te maken tussen empirische kennis en meningen die op die kennis zijn gebaseerd, ook al is dat onderscheid soms vaag. Om concreet te zijn: wat is nu precies de islamisering van Nederland? Zulke begrippen gaan in de politiek een eigen leven leiden zonder dat ze op empirische bewijzen zijn gestoeld.”

Sunier: „Mee eens. Wel vind ik dat onderzoekers in het debat een heel belangrijke rol kunnen én moeten spelen. Dat kan door een eigen agenda op te stellen en niet na te wauwelen wat het overheidsbeleid is.

Zo’n agenda moet gebaseerd zijn op wat de onderzoekers belangrijk achten. Overigens is er al heel veel onderzocht, maar daar wordt nooit naar omgekeken. Ik vind dat er meer naar wetenschappers geluisterd zou moeten worden.”

Net als de samenleving is ook de wetenschap opgedeeld in kampen voor en tegen de islam.

Buskens: „Niet mee eens. Onder mijn collega’s wordt heel genuanceerd gesproken over de islam. Men weet heel goed dat het moeilijk is om algemene uitspraken te doen over dé islam en dé moslims. Natuurlijk hebben islamologen daarnaast ook een mening, maar dat is wat anders dan het doen van onderzoek. Als het goed is, blijft hun mening daaraan ondergeschikt.”

Sunier: „Er zijn zeker kampen. Maar ik denk dat die ook te maken hebben met wetenschappelijk-theoretische kwesties, over hoe je je onderzoek zou moeten vormgeven. Ik heb niet het idee dat er –uitzonderingen daargelaten– hele diepe kloven bestaan tussen islamologen.”

Het is onmogelijk voor islamonderzoekers om níét in een hokje ingedeeld te worden.

Buskens: „Oneens, tenzij mensen je daarin wíllen stoppen. In Leiden identificeert men zich echt niet zomaar met de islam. Dat blijkt wel uit het feit dat niemand het idee heeft opgevat om zelf moslim te worden. Dat is volgens mij heel betekenisvol.

Ik hoop dat ons onderzoeksinstituut Lucis kan deelnemen aan het debat zonder dat mensen denken: O, als het van die club komt, klopt het van geen kant.”

Sunier: „In het wetenschappelijke debat bestaan die hokjes niet zozeer, maar in het publieke debat wel. Ik weet ook wel dat ik in bepaalde kringen word beschouwd als verdediger van radicaal gedachtegoed. Maar dat is absoluut onzin.

In de tijd van de Rushdieaffaire, inmiddels twintig jaar geleden, hield ik een lezing ergens in het Gooi. Zonder goed te keuren dat de schrijver Rushdie een fatwa over zich heen kreeg, probeerde ik duidelijk te maken waarom ik wel begreep dat ayatollah Khomeini die uitspraak deed. Ik werd daar bijkans gelyncht: hoe durfde ik het op te nemen voor zo’n malloot! Terwijl ik helemaal niets verdedig; ik probeer slechts te begrijpen.”