De vergeten Vader Van Schuylenburg

VEENENDAAL - Waarom is Gerhardus van Schuylenburg niet meer zo bekend als Theodorus van der Groe? Dat was zaterdag een van de vragen die prof. dr. F. A. van Lieburg opwierp.

De bijzonder hoogleraar geschiedenis van het Nederlands protestantisme aan de Vrije Universiteit Amsterdam sprak voor een volle zaal in de Veenendaalse Adventkerk, tijdens de laatste cursusdag van de wintercursus van de Stichting Studie Nadere Reformatie (SSNR). Het thema van deze twaalfde cursus is ”piëtisme, bevinding en mystiek”. Prof. Van Lieburg sprak over ds. Gerhardus van Schuylenburg (1681-1770).

In zijn tijd was Van Schuylenburg zeer bekend bij de bevindelijke vromen, zei prof. Van Lieburg. Zowel in zijn eerste standplaats, Molenaarsgraaf, als in zijn tweede en laatste standplaats, Tienhoven (bij Utrecht), trok hij hoorders uit de wijde omgeving. In Tienhoven moest de kerk tijdens zijn predikantschap twee keer vergroot worden. Een van de „kerktoeristen” (zoals prof. Van Lieburg hen noemde), een zekere Steven Engelen, getuigt van hem dat zijn prediking geen dorre heide, maar een vette weide was. Op zondag namen veel vreemdelingen in het dorp Tienhoven hun intrek. Zij werden door de inwoners vriendelijk geherbergd.xx „Het moet een indrukwekkend gebeuren zijn geweest.”

Van Lodenstein
Van Schuylenburg trad inhoudelijk vooral in het voetspoor van de Nadere Reformatoren Jacobus Koelman en Jodocus van Lodenstein. Bij de laatste gaat het met name om het geestelijk leven. „Je zou Van Schuylenburg een achttiende-eeuwse Van Lodenstein kunnen noemen”, aldus Van Lieburg. Van Koelman heeft hij het scherp afwijzen van de kerkelijke formulieren, het bestraffen van de overheid, het concreet benoemen van de zonden en een zeker verzet tegen de tweede christelijke feestdagen.

Van Schuylenburg weigerde op zeker moment zelfs om de eerste doopvraag van het formulier te stellen aan de ouders. Het gaat dan om de zinsnede „dat zij in Christus geheiligd zijn.” Die veranderde hij in „dat zij in Christus geheiligd moeten worden.” In die tijd deden wel meer predikanten dat en er ontstond een scherpe kerkelijke polemiek, die ten slotte op last van de overheid stopte.

Avondmaal
Ook over het avondmaal had de predikant eigen gedachten. Toen hij in Tienhoven kwam, gingen alle lidmaten (ongeveer 250) aan het heilig avondmaal. Tijdens zijn predikantschap daalde het aantal naar 43. De classis vermaande hem dat hij van de mensen niet de hoogste trap van de zekerheid van het geloof moest eisen voor avondmaalsdeelname. Het aantal avondmaalgangers steeg daarna tot twee derde van het aantal leden, en ten slotte ging bijna de gehele gemeente weer aan het avondmaal.

Van Lieburg liet in het midden of dat lag aan de vermaning van de classis of aan een groot aantal bekeringen. Wel trok hij de conclusie dat het erop lijkt dat Van Schuylenburg op latere leeftijd milder geworden is.

De invloed van Van Schuylenburg strekte zich verder uit dan tot de lidmaten die hij onder zijn hoede had, aldus Van Lieburg. De nadere reformator stimuleerde oefenaars als Gijsbert van Es en Jan Barte Fokkert tot het houden van oefeningen en hij had een nauwe band met de bekende oefenaar Justus Vermeer uit Utrecht. Ten slotte had Van Schuylenburg ook connecties met Nederlandse voorlopers van de Grote Opwekking in Amerika.

Geen oude schrijver
Dat Van Schuylenburg niet bekend is gebleven, heeft er volgens Van Lieburg mee te maken dat hij geen geschriften heeft nagelaten. „Je kunt hem nauwelijks een oude schrijver noemen.”

Het meest bekend zijn de voorredenen die hij geschreven heeft, onder andere in de ”Oefeningen” van Justus Vermeer en in de levensbeschrijving van David Brainard. Dat boek is geschreven door de bekende opwekkingsprediker Jonathan Edwards. Van Van Schuylenburg zijn twee kleine boekjes bekend, het ene telt vier bladzijden en bevat een gedeelte uit een avondmaalspreek. Het andere boekje, dat tien bladzijden telt, bevat een biddagpreek.

Dat Van Schuylenburg weinig geschreven heeft, zou te maken kunnen hebben met zijn karakter. Van Lieburg omschreef dit als introvert, schuchter en niet graag op de voorgrond tredend. „Dat alles verhinderde de vromen in de achttiende eeuw niet om hem ”Vader Van Schuylenburg” te noemen, een erenaam die niet velen ontvingen.”