Dirk van Keulen analyseert gereformeerde visie op islam

In ”Een blok aan het been?” vergelijkt dr. Dirk van Keulen de visies van de twee grote voormannen van de Gereformeerde Kerken, Abraham Kuyper (1837-1920) en Herman Bavinck (1854-1921), met elkaar.

De titel is wat misleidend, want de gereformeerde mannenbroeders hielden zich te weinig met de islam bezig om van een blok aan het been te kunnen spreken. Het is eigenlijk verbazingwekkend hoe weinig de Europese kerken zich hebben beziggehouden met de islam, tot op de huidige dag toe.

Van Keulen beschrijft boeiend en vlot leesbaar hoe Kuyper en Bavinck de islam leerden kennen en hoe ze erop reageerden. Kuyper reisde van augustus 1905 tot juni 1906 ”om de oude wereldzee” (de Middellandse Zee) en schreef een lijvig boekwerk over zijn kennismaking met de islam. Hij werd geraakt door de geestdrift en toewijding van biddende moslims in de Hagia Sophia en door de levendigheid van de preken.

Voor Kuyper was er sprake van eenheid van jodendom, christendom en islam in het monotheïsme dat wortelt in Abraham en Mozes, ondanks de ‘broedertwist’ die hen scheidt. Christenen zouden met moslims een politieke alliantie kunnen sluiten tegen het pantheïsme en polytheïsme, dacht Kuyper. Hij zag diverse waarheids­elementen in de islam waar het christendom van kon leren: het vasthouden aan het monotheïsme, het vrije democratische gehalte van de islam, die geen priesterorde kent, het verbod op alcohol, de interactie tijdens het godsdienstonderwijs in de moskee, de intensiteit van het bidden en het respect voor hun profeet. Je kunt je volgens Kuyper als christen in zekere zin aansluiten bij moslims om vervolgens bij hen „de wet en het evangelie in hun zuiverheid te herstellen door die te bevrijden van de woekerplant van de belijdenis van Mohammed en de Koran.”

Allah

Toch stelt hij ook dat Allah een door mensen uitgedachte god is, die niets met de drie-enige God van de christenen gemeen heeft. Kuyper bedoelde dit niet in de zin dat er een soort alternatieve god bestaat die de naam Allah draagt, maar dat de islam ten diepste het hart van het Bijbelse getuigenis over God verdraait. Hij noemde de islam dan ook een pseudoreligie of vervalste openbaringsreligie. Hij was (toen al) bezorgd over de opkomst van een ”panislamisme”, de herleving van de islam die zich de koloniale vernedering wilde afschudden.

Ook Bavinck spreekt over „de dreiging van het Mohammedanisme” voor het christendom („de enige ware godsdienst, tegenover afgoderij”) en de moderne westerse cultuur. Bavinck kent de islam echter niet uit eigen ervaring, maar alleen via anderen (vooral via zijn vriend, de bekende islamoloog Snouck Hurgronje).

Instrument

Volgens Bavinck is er niet alleen sprake van algemene openbaring door de werking van Gods Geest in het maatschappelijke en intellectuele leven, maar ook in andere religies als zodanig. Mohammed is geen bedrieger of handlanger van satan, maar ten dele ook instrument van God. Bavinck maakt echter niet duidelijk wat dit concreet in theologisch opzicht betekent voor de islam.

Van Keulen verkiest Bavinck boven Kuyper, omdat Bavinck in zijn theologie van de godsdiensten meer ruimte laat voor de islam. Toch stem ik met Anton Wessels in dat Kuyper een beter voorbeeld is voor een omgaan met de islam. Maar weinig predikanten hebben ooit de moeite genomen om maandenlang daadwerkelijk met moslims op te trekken. Kuyper is concreet in zijn positieve en negatieve punten, waarover hijzelf met moslims in gesprek is geweest, terwijl Bavinck het bij een dogmatische beschouwing laat. Ik begrijp daarom ook niet dat Wessels Kuyper islamofoob noemt omdat deze de islam uiteindelijk antithetisch afwijst.

Eenzelfde houding bij Van Keulen komt in de laatste twee hoofdstukken steeds storender naar voren. Waar Kuyper een negatief oordeel velt, noemt Van Keulen dat categorisch een vooroordeel zonder dat hij dit onderbouwt en terwijl Kuyper misschien meer van de islam gezien heeft dan Van Keulen.

Dat je tegelijk recht kunt doen aan moslims en vast kunt houden aan de uniciteit van Christus en de noodzaak van zending onder moslims, lijkt bij hem bij voorbaat uitgesloten. Ik geloof niet dat moslims of de vrede in de samenleving ermee gediend zijn, wanneer we alleen maar naar elkaar luisteren, zakelijk analytisch over elkaar spreken, of pijnpunten verzwijgen. Zo’n houding kom ik bij Jezus en de apostelen ook niet tegen.

Vooroordeel

Van Keulen hanteert een klassiek seculier vooroordeel: „De enige weg om vrede te bewaren is (…) de nadruk leggen op dat wat verbindt.” De gedachte is populair dat conflicten in de wereld vooral vanwege religieuze verschillen zouden komen en dat er vrede ontstaat wanneer we die niet ter sprake brengen. In werkelijkheid zijn religieuze verschillen op zichzelf zelden een bron voor conflicten en levert de ontkenning ervan geen vrede op.

Alternatief

Van iemand die tot voor kort verbonden was aan de Protestantse Theologische Universiteit zou ik verwachten dat hij moslims serieuzer neemt en erkent dat de islam een alternatief wil zijn voor het christelijk geloof. Daar moet je als christen inhoudelijk op ingaan, mag je aanklachten corrigeren en zoeken naar manieren om moslims te winnen voor het Evangelie.

Op dat punt stellen ook Kuyper en Bavinck helaas teleur. Aan het eind van het boek wordt té kort beschreven hoe hun visies doorwerkten bij latere gereformeerde theologen die zich op de islam richtten: F. L. Bakker, Joh. Verkuyl, D. Pol, J. H. Bavinck en D. S. Attema. Van Keulen verzuimt daarbij nota bene om het enige boek van Verkuyl dat geheel aan de islam gewijd is, te bespreken.

De auteur is predikant-directeur van de stichting Evangelie & Moslims.


Boekgegevens

”Een blok aan het been? Gereformeerde mannenbroeders in debat over de islam”, door Dirk van Keulen; uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 2011; ISBN 978 90 239 2608 5; 186 blz.; € 14,90.