Commentaar: Uitspraken premier Rutte over mazelen merkwaardig

Opinie
Premier Rutte. Foto ANP ANP

De uitspraken die premier Rutte vrijdag over de mazelenepidemie deed, zijn ten eerste op het randje, ten tweede merkwaardig, en ten derde typerend voor de tijdgeest.

Ze zijn op het randje in die zin dat in een vrij land dat zijn grondrechten serieus neemt, de politiek burgers niet mag dwingen tegen hun geweten in te handelen. Dat deed Rutte dus ook niet. Van dwang is geen sprake en zijn woorden zijn –zo lijkt het– ook geen opmaat tot dwang. Wel voert hij op een indirecte wijze de druk op mensen die vanwege hun geloof en geweten hun kinderen niet willen inenten op. Predikanten zouden, zo vindt de minister-president, hun gemeenteleden moeten oproepen hun kinderen wél te laten vaccineren. Daarmee gaat Rutte tot het randje van wat voor een politicus oorbaar is. Beter was geweest als hij gezegd had: we leven in een vrij land; de beslissing je kinderen al dan niet te laten inenten, laat ik over aan de desbetreffende ouders.

Ruttes uitspraken zijn in de tweede plaats merkwaardig. En dan gaat het er niet in de eerste plaats omdat hij ten aanzien van een ziekte die veertig jaar geleden nog als een tamelijk onschuldige kinderziekte werd beschouwd, wel heel grote woorden in de mond nam („Het is verschrikkelijk als je ziet hoe die kinderen lijden”). Maar hoogstmerkwaardig is vooral dat hij als liberaal politicus een theologische visie en theologische argumenten inbracht in het maatschappelijke en politieke debat („God heeft nooit bedoeld, daar ben ik absoluut van overtuigd, dat deze kinderen zó lijden, als tegelijkertijd in de wereld –een wereld waar God óók iets mee te maken heeft in mijn ogen– ervoor gezorgd is dat er vaccins zijn”).

Ook van deze uitspraak kan niet gezegd worden dat hij verboden is. Integendeel. Was het politieke en maatschappelijke klimaat nog maar zodanig dat seculiere en christelijke politici regelmatig met elkaar konden debatteren over wat nu eigenlijk de wil van God is ten aanzien van het samenleven van mensen. Maar het vreemde zit hem hierin dat liberale politici nu eenmaal gewoonlijk van mening zijn dat theologische argumenten níét in politieke debatten thuishoren. Als je het slecht treft, hoor je seculiere politici zelfs beweren dat dit in strijd zou zijn met de scheiding van kerk en staat.

Rutte begeeft zich nu toch op dit terrein. Dat is apart, temeer daar religieuze argumenten in ándere debatten, bijvoorbeeld over abortus en euthanasie, vaak angstvallig worden gemeden.

De uitspraken van de minister-president zijn ten slotte typerend voor de tijdgeest. Ze zijn hoe dan ook een signaal aan orthodoxe christenen dat hun manier van denken en leven steeds minder begrip ontmoet in het geheel van de samenleving. En dat, waar vroeger een beroep op iemands godsdienst of geweten in veel gevallen afdoende was om hem of haar een bepaalde handelingsvrijheid te gunnen, dat beroep tegenwoordig steeds minder gemakkelijk geaccepteerd wordt. De uitlatingen van Rutte zijn helaas niet het eerste voorbeeld van een zaak waarin de buiten­wereld probeert te bepalen in hoeverre Bijbelgetrouwe christenen aan hun levensovertuiging ook praktische gevolgen mogen verbinden.